Boek "Noorderdorp":

eerste 11 pagina's + achterflap:

Recensies: zie onder knop "Boek Noorderdorp" 

Recensie boek Noorderdorp door NBD Biblion

24-11-2011 NBD Biblion : uit het ontvangen bericht via de uitgever: Menigeen die de tijd waarin de roman zich afspeelt, zelf heeft meegemaakt, zal een gevoel van herkenning ervaren. Besouw beschrijft het leven in een katholieke gemeenschap in de kop van Noord-Holland tussen 1940 en 1956. Door het hele boekje heen wordt aan de hand van historische gebeurtenissen het jonge familieleven geschetst. Een verdienstelijke poging om de door de schrijver zelf meegemaakte gebeurtenissen in een verhaalvorm gestalte te geven. Af en toe lijkt het daardoor of Besouw elke historische gebeurtenis die plaatsvond, meent te moeten vermelden, waardoor het verhaal soms te nadrukkelijk in historisch verband wordt gezet. Gaandeweg identificeert de lezer zich met het gezin en de beschrijvingen van het harde bestaan en de interne twisten, waarbij ook het geloof een rol speelt. Een niet onverdienstelijk debuut. (Recensent: J.Swaen).

Lid van SchrijvenOnline,

www.schrijvenonline.org

Volger van o.m.

www.hetvrijevers.nl

waar ook veel te genieten valt van gedichten.

Over de rol van de appel is al lang geleden geschreven. Over de rol van geloven daarbij nog meer.

Aan hun vruchten zult gij ze kennen...

t.e.m. 204

blog 200, 3 feb. 2014:

Tijd... (gedicht)

Heb je de tijd?

Kun je hem vatten,

er grip op krijgen

om je daden aaneen te rijgen,

om te verklaren

wat de jaren

met je deden,

welk onheil je hebt vermeden,

welke stokpaarden bereden,

welke geheimen verborgen

welke loodzware zorgen

je hart hebben bedrukt,

waaronder je misschien

nog zucht,

welke dansen je hebt gemaakt,

welke kansen

zagen jouw dageraad?

Leo Besouw

blog 190, 18 december 2013:

Muzen (gedicht)

Zingen, dansen en poëzie

dat is zoals ik het leven zie:

zonder dat is het altijd wat,

van traan tot kramp

van helling tot ramp.

Zingen, dansen en poëzie

al deze drie verbinden

het zoeken van de ziel

wat anders niet te achterhalen viel:

de zin van ons bestaan,

het waarom van ons voortgaan –

de weg van het tasten

naar gloed en vuur,

het doorbreken van de muur

van stilstaan, trillen, beven:

zin beléven aan 't leven!

Leo Besouw

blog 179, 28 oktober 2013:

Händel Celebration Concert (gedicht)

Gemengde koren

zijn een zegen voor onze oren

machtig klinken hun stemmen

in de Marktkirche in Halle:

solo's afgewisseld met koor-

gezang, een juweel voor ons oor.

De weerkaatsende wanden

van de schitterende kerk

doen hun hemelse werk;

stemmen vallen in,

de dirigent is van zin

ons uit te tillen

uit 't grauwe bestaan,

onze geest zo licht als

de maan,

vervoerd op harmonische klanken

van orkest en stem:

de trompetten klinken als

stralen uit Bethlehem

of andere haast onaardse

plaatsen –

ze weerkaatsen cultuur

uit een toegewijde natuur.

Het is alsof de eeuwigheid

wil blijven in ons oor

en onze aardse lijven,

alsof de tijd zijn grip

op ons heeft verloren:

zo prachtig is het koorgezang,

het neemt ons geboeid in de tang

van bloeiende cultuur,

zo mateloos op dit avonduur.

Leo Besouw

Voor meer informatie, klik op de tabs



 Nieuw verhaal, in delen! Zie onder Synopsys



 Synopsis Zuiderdorp (autofictie) Versie 2021, april

 

concept 1

 

Door: Leo Besouw

 

Titel : Zuiderdorp, Une petite histoire (1956-1962)

 

In dit grotendeels autobiografische verhaal vertelt de schrijver in de vrije indirecte rede het verhaal van een stille tienerjongen die met zijn eveneens stille vader en -gezin zijn ontwikkeling doormaakt. En dit in een sterk door het Rooms-Katholiek discours/ geloofsbeleven uit de jaren vijftig/ begin jaren zestig van de vorige eeuw.

 

In het landelijk-agrarische “Zuiderdorp”, een vervolg op “Noorderdorp”, eveneens fictief, krijgt Leo, de hoofdpersoon, de (te) vroege stappen naar volwassenheid te verwerken: noodgedwongen “te werk gesteld” in het tuinbouwbedrijf van zijn vader, Jacob, die een zware (financiële) schuldenlast draagt.

 

Daarbij komt dat – mede door die tijd – het RK milieu, vooral door zijn moeder, Margreet, het zingevingskader sterk domineert als een last, maar ook als een vragencomplex. De dominerende invloed van de stille vader werkt daarbij als een moeras.

 

Ook al komt er enige hulp van buiten, oom Karel, de grootvader, (waarmee ook conflict), hulp Lies en later Daan, een echte oplossing komt er niet, culminerend in de opname van Jacob in het Sint Bernulphus-ziekenhuis.

 

Na terugkomst van Jacob, blijft Leo zoeken naar zijn zin voor de toekomst: zowel een schriftelijke cursus Mulo, als verdieping in geloofsvragen zijn zoekpogingen, waarbij het laatste uiteindelijk wint en een overgang op achttien-jarige leeftijd naar een kloosterleven bij de Broeders van de Blijde Boodschap in het verschiet ligt.

 

Vooral een worsteling met bijbelse geloofsprincipes en -leer en een stille vader die geen antwoord heeft, een af en toe pijnlijk volwassenwordingsproces, ingebed in de historie van die tijd in dit agrarische (fictieve) dorp.

 

---------------------------------------------------

Grootte: ongeveer 15.624 woorden, volgend in 15 hoofdstukken.




2021-04-17 concept 4


Leo Besouw

 

Zuiderdorp

 

Une petite histoire (1956-1962)

 

 

 

 

Autofictie (roman)

 

 

 

eigen beheer

 

copyright, zie hoofd pagina

 

 


15.  Scheuring

 

De winter van 1961 naar 1962 was bar koud. Het  vroor dat het kraakte. Leo moest zijn vader helpen met het toedekken van de pootaardappelen in de schuur: die werden toegedekt  met vele lagen jute zakken, om te voorkomen dat ze zouden bevriezen. Ook werden er een paar grote petroleumstellen geplaatst die de ergste kou moesten verdrijven. De winter doorkomen  op de onverwarmde slaapkamers, en studeren in het onverwarmde kamertje op zolder: een elektrisch kacheltje erbij maakte het wat draaglijk. Leo voelde zich op een grens staan naar een nieuwe toekomst: nog een laatste gesprek en een bezoek van een overste van de Broeders van de Blijde Boodschap, en mogelijk zou voor Leo een nieuw leven beginnen in een ver en vreemd klooster.

 

De overste die thuis kwam bezoeken, was bijzonder vriendelijk en sprak vooral met Margreet en Jacob. Wat godsvrucht betreft zal het vast in orde zijn geweest: een kruisbeeld aan de wand, een Mariabeeld in de keuken en een schilderij, de Heilige Familie voorstellend, in de kamer. Nog een bezoek van Leo aan het klooster in het zuiden, waar ook nog een laatste toelatingsgesprek wachtte, en dan was het bijna zo ver. Bij een oudere broeder van de orde moest Leo vertellen over zijn motivatie, zijn godsvrucht, zijn gevoelde roeping en ook werd gepolst of het ontbreken van een vrouw en seksualiteit in de toekomst geen problemen zou opleveren. Leo slaagde, maar kreeg gelijk een gevoel van toekomstige scheuring: hij zou los komen te staan van zijn familie, in ieder geval de eerste tijd, want familiebezoek, in het eerste opleidingsjaar was slechts bij grote uitzondering toegestaan, als bijvoorbeeld bij een overlijden.

 

Met gemengde gevoelens keerde Leo weer naar huis: enerzijds had de sfeer van gebed, rust, stilte en bezinning hem getroffen, anderzijds besefte hij afstand te moeten nemen van zijn vertrouwde omgeving, van zijn ouders, broers en zus. De weg van God, het verlichte pad, allemaal mooie beeldspraken, maar ook vergezichten met een onbekend uitzicht. In de bijbel stond toch “want wie de zijnen niet verlaat is Mij niet waardig” en “wie de wereld verzaakt zal mijn koninkrijk deelachtig worden”. Het offer van het een, zou de rijkdom voor het toekomstige ander worden, een leven met en in Gods nabijheid, een eindbestemming in de blijheid en vroomheid des Heren.

 

Scheuren dat deed het, om op de rechte weg te komen. De voorbereidingen deden pijn , ook bij de tandarts: zeven rotte kiezen moesten eruit, als de zeven hoofdzonden waarover de kerk leerde. IJdelheid voorop, maar ook het gebit mocht niet intreden zonder te zijn gesaneerd van oude gebreken of rotte plekken. Bloed in de mond, zo kwam Leo een aantal keren van de tandarts terug. Maar wat was dat vergeleken met het lijden van Jezus? Niets dus, en zo waren er meer zaken, die je moest achterlaten. Voorbij de tijd van interesses voor wereldse zaken, van wanhopen met de wereld, een toekomst van Godsvertrouwen en gebed, van onthechting van het aardse en bezit. Want geloften stonden te wachten: van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid. Dat zou de weg zijn die Leo zou volgen, op weg naar een “geestelijk ambt”, zoals dat bij de dienstkeuring had geheten.

 

Geen militaire dienst, maar dienst aan God, dienst aan “de naaste” uit liefde tot God, dienst in belangeloosheid, zuiverheid en aan het rijk van God. De toekomst, los van aardse beslommeringen, los van zorgen over geld, los van aardse eer en schijn. De Amerikaan John Glenn had 20 februari drie omwentelingen in een ruimtecapsule om de aarde gemaakt, daarover had Leo een verslag op de onlangs aangeschafte zwart-wit TV van zijn ouders gezien. De aarde was vanuit die “hemel” mooi te zien, maar dat was natuurlijk niet de echte hemel. Bij intrede in het klooster zou er geen TV meer  zijn, niet het dagelijks nieuws op de radio, geen bezorgdheid om de wereld of nieuwe ontdekkingen. “Wie Mij ontdekt zal eeuwig leven”, daar vertrouwde Leo op. “Maak je los, laat je bevrijden door de Heer, kom in Mijn dienst”, zo ging het door de ziel van Leo. Ziele-heil, daar draait alles om, zo was de insteek van zijn gevoel naar de toekomst. Dat je je daarbij moest losscheuren van je bekende banden en relaties, zelfs met die van je familie, was de onvermijdelijke prijs.

 

De dag van vertrek brak aan. De koffer met kleding, ondergoed, sokken en wat bovenkleding werd door Margreet gereed gemaakt. Het eerste halfjaar nog in burgerkleren. Maar na het doorkomen van de eerste test, zou je een streng jaar krijgen als novice. Je zou dan worden “gekleed” in het kloosterkleed, diverse oefeningen moeten doen en veel bidden, maar tussendoor ook corveediensten in het huishouden van het klooster moeten doen en ander werk, in stilte. Tandenborstel, nagelschaartje en dergelijke moesten ook mee, en natuurlijk je zondagse missaal. In het klooster zou je ter plekke de gebruikelijke gebedenboeken en geestelijke literatuur krijgen. Alles om je te verdiepen in, en je toe te wijden aan de eredienst van God en Zijn kerk. De losmaking, de onthechting van het aardse, zou ruimschoots worden beloond met geestelijke rijkdom als dienaar van de Heer, en door opname in de gemeenschap van de Broeders van de Blijde Boodschap.

 

 

Tot zo ver dit concept per 17-04-2021

 

Heel misschien komt er een vervolg op…

 

Volg www.leobesouw.nl  







14. Bestemming?

 

De lokroep van God leek zich aan te dienen. In april '61 kreeg Leo nieuwe hoop: het paasgebeuren in de kerk had hem begeesterd. Na het dramatische lijden van Jezus en zijn kruisdood was de Heer waarlijk opgestaan. Na al zijn geploeter op het bedrijfje van zijn vader om het brood voor het gezin mede te verdienen, leek de weg naar de dienst aan God hem een weg die naar echte vervulling en op den duur naar de hemel zou kunnen leiden. Gods woord en dat van de Heilige Rooms Katholieke Kerk moest toch wel waar zijn. En wat was er mooier dan geroepen te worden tot de de dienst aan de Heer?

 

Zo moet de moeder van Leo ook hebben gebeden: dat één uit het gezin zich zou mogen wijden aan de dienst van God. En zo kreeg Leo alle ruimte om zich te oriënteren op verschillende mogelijkheden. Allereerst ging hij op oriëntatie bij de Broeders in Gods Genade, in de nabije stad hadden zij een klooster, fantastisch rustig gelegen tussen de fluisterende bomen van een klein bos. Zo leerde Leo over de dagelijkse gebeden, het dagelijkse werk, de opleiding en doelstellingen van de Broeders en waar zij hun missie hadden. Toch viel het hem niet mee om een goed beeld te krijgen: bidden en bijbel waren geen probleem, maar opleiding, dagelijks werk, en missiegebieden als in Afrika op diverse plaatsen, bleef hem toch nog veraf.

 

Ondertussen ging de wereld in april '61 gewoon door met Anton Geesink als wereld-kampioen judo, wat heel bijzonder leek te zijn. En de nederlaag van Cubaanse strijders tegen het communisme, door Kennedy en de CIA gesteund in de Varkensbaai in Cuba. Was strijd tegen de communisten niet veel belangrijker dan bidden vroeg Leo zich af. In de bijbel stond dat de zwaarden tot ploegscharen moesten worden omgesmeed, maar Kennedy, een goed katholiek, steunde toch een poging om met geweld de communisten van Cuba, gevaarlijk dicht bij Amerika, te verdrijven. Tweespalt in de ziel van Leo, vragen waarmee hij niet echt terecht kon bij de Broeders in Gods Genade.

 

Maar Leo liet zich niet door twijfels weerhouden. In mei ging hij op bezoek bij de Broeders van Barmhartigheid, zij hadden een opleidingscentrum in het midden van het land. Er waren daar zeer veel jonge kandidaten in opleiding, maar de sfeer vond Leo te rumoerig en te lacherig, behalve bij het gebed. Er lag meer de nadruk op actie en dienst aan de wereld, om die te verbeteren door inzet bij ziekte en onderwijs. Het betrekkelijke tumult bij de corvee van het afwassen bezorgde Leo een onrustig gevoel, een gebrek aan ernst en toegewijde devotie, zo had hij zich die leefsfeer niet voorgesteld.

 

En ook toen ging de “gewone” wereld weer door: minister Luns garandeerde de Papoea's zelfbeschikkingsrecht, wat vanzelfsprekend leek, Nikita Chroesjtsjof en Kennedy ontmoetten elkaar op drie juni in Wenen en leken bereid om liever te praten dan wapens tegen elkaar te gebruiken, heel redelijk. Maar het bidden dan, vroeg Leo zich af, Kennedy was katholiek en had God aan zijn zijde, en Chroesjtsjof was een communist en ontkende de rol van God. Hoe konden die nou tot eenstemmigheid komen? Zonden als liegen en misleiden kon Kennedy wel biechten, maar Chroesjtsjof niet, of golden daar nou weer andere regels voor?

 

Begin september ging Leo tenslotte naar de broeders van de Blijde Boodschap, in het zuiden van het land te Z. . Daar was het heel anders dan bij de eerdere twee oriëntaties. Bijzonder rustig en verwachtingsvol leek het klooster hem aan te spreken en de Broeders nog meer. Er was alle tijd om te bidden en te studeren, het toeleggen op de uitleg van wat de Heilige Schrift nou echt betekende voor de gelovigen. Ook was er wel corvee voor de afwas bijvoorbeeld, maar het bezig zijn in hun lange gewaden in het wit gaf een meer God toegewijde en bedachtzame en betrouwbaarder indruk, wat meer bij zijn gevoel paste. Misschien was dit de aangewezen weg?

 

Zo kwam Leo weer thuis, waar hij zijn moeder, Margreet, het een en ander vertelde, en ook zijn vader, maar minder. Wel zei Jacob in reactie op Leo dat Leo altijd goed op zijn gezondheid moest letten, ook eventueel daar, later. En of ie het er wel goed met Margreet over had gehad.  Tja, het zou een hele verandering betekenen, broer Ed zou de plaats van Leo als hulp van Jacob innemen, zodat toch het inkomen van het gezin was verzekerd. Daar hoefde Leo geen schuldgevoel meer over te hebben. En de wereld dan? Chroesjtsjof had in augustus het moratorium op bovengrondse kernproeven gebroken, het ging nu om H-bommen, tot 3000 keer sterker dan die op Hirosjima was gebruikt. Eigenlijk zou Leo in dienst moeten, volgend jaar, tegen de Russen die in de achtertuin zouden kunnen staan, zo was hem met de keuring verteld. Maar hoe kon je je dat nou voorstellen als er bommen werden getest die een stad 3000 keer groter dan Hirosjima konden verwoesten? Kon je dan niet veel beter bidden? 







13.Dreiging

 

De dreiging van  de Russen werd steeds ernstiger. Zou de antichrist nu toch gaan toeslaan? Amerikanen hadden spionagevliegtuigen boven Rusland laten vliegen, en één ervan was neergeschoten, en de piloot gevangen genomen, vorig jaar. En in de strijd om de presidentsverkiezing in de Verenigde Staten, leek het vooral de vraag wie van de twee, Kennedy of Nixon het beste de Russen kon weerstaan. Het was Kennedy geworden in november 1960 en die had van Robert Mc. Namara's advies gekregen om het aantal intercontinentale raketten met atoombommen te gaan verhogen van 200 naar 1000. Ook op Goede Vrijdag werd voor het behoud van de veiligheid van het vaderland gebeden en de vijanden van God konden zijn wraak verwachten, dus dat zou wel goed zitten met die katholieke Kennedy, dacht Leo.

 

Aan de andere kant zat Leo er toch mee: in “De Blijde Boodschap” had hij geleerd dat God liefde is, en dat we op zijn barmhartigheid kunnen rekenen. En die Russen, waren daar dan geen goeden onder? Die zouden dan met een atoomaanval ook levend verbranden. En stond er ook niet in de bijbel dat zwaarden moesten worden omgesmeed tot ploegscharen? Waarom dan toch zoveel bewapening? En ook Leo moest eraan geloven, want hij had, net voor Pasen al een oproep gekregen voor keuring voor militaire dienst. Werden we echt bedreigd door de Russen of bedreigden de Amerikanen net zo hard? Word daar nou maar eens wijs uit door de krant of radio. Televisie hadden ze thuis nog niet, maar van het Polygoon-journaal van de bioscoop kende hij wel de gezichten van Kennedy  en ook van de Rus Yuri Gagarin die in februari zijn eerste ruimtevlucht had gemaakt voor de Russen.

 

In januari waren er in heel Nederland 100.000 brochures verspreid voor Bescherming Bevolking, in verband met een mogelijke Russische atoomaanval. Je moest dan bijvoorbeeld onder tafel gaan liggen en alle ramen en deuren sluiten. Maar waarom zou God al die ellende laten gebeuren? Jezus was toch onze redder en wie in Hem geloofde zou veilig zijn in Gods hand, of telde dat alleen voor de eeuwigheid na de dood? Zo belandde Leo voor de militaire keuring in Amsterdam. Hij verkeerde in dubio, want in de bijbel stond “wie het zwaard opneemt zal door het zwaard omkomen”. Was het niet beter om je moreel te herbewapenen? Hij had er een boekje over gekocht, het was een beweging tegen de oorlogen. Dat leek hem eigenlijk veel beter. Zo vroeg een officier hem na de goedkeuring waarom hij twijfels had, en mogelijk dienst wilde weigeren. “Want stel morgen staat er een Rus in je tuin, die jou of je familie wil vermoorden?” werd Leo gevraagd.

 

Leo had inmiddels ook een echt “missaal”, aangeschaft, een kerkboek dat voor alle weken van het jaar de geëigende gebeden bevatte. Daarin bewaarde hij ook diverse bid- en gedachtenisprentjes, onder andere een gedachtenis aan de H. Missie die in december in de kerk van de Broeders was gehouden. Tijdens deze negen dagen durende gebeds- en preekdiensten werd door gastenpriesters gepreekt met de bedoeling de godsvrucht onder de gelovigen aan te wakkeren en roepingen te bevorderen. Zo werd uit brieven van de Heilige Paulus aangehaald: “De genade van God is verschenen, redding brengend aan alle mensen. Zij voedt ons op, om goddeloosheid te verzaken en wereldse begeerlijkheid; om ingetogen, rechtschapen, godvruchtig in deze wereld te leven; terwijl wij met verlangen uitzien naar de zaligheid, die wij verwachten bij het glorievol verschijnen van onze grote God en Zaligmaker, Jezus Christus”.

 

Wat kon Leo nou met dit alles? Twijfel overheerste, maar de godvruchtige idealen spraken hem wel aan. “De rechtvaardige bloeit als een palmboom, als een ceder van de Libanon rijst hij omhoog in het huis des Heren”, zo las hij in zijn missaal. Wat te doen met zijn toekomst? Blijven werken bij zijn vader op het land, hij had er geen zin in, dan alleen uit de noodzaak om geld te verdienen. Maar gelukkig zijn, waartoe God ons had geroepen, hij zag het niet in de geschiedenis van zijn omgeving. Zo was er ook een bruiloft geweest waar hij naar toe had gemogen met zijn ouders. Een oom en tante waren 25 jaar getrouwd en er werd  een feestavond gehouden. Iedereen was vrolijk, er werd gegeten en gedronken en er werden stukjes opgevoerd op het toneel van de zaal. Later op die avond was er ook een leuke buurman geweest die een grappig verhaal vertelde, en daarbij allerlei vlotte bewegingen maakte en ineens op de planken neerviel. Iedereen lachte want het was kennelijk een goede grap. Maar de buurman bleef liggen en even later gingen een paar gasten het podium op. Er ontstond geroezemoes en een dokter werd gebeld. Opeens werd iedereen stil. De buurman werd toegedekt met een kleed en het was afwachten. Het zou toch niet... Maar de buurman bleek al te zijn overleden, wat iedereen een enorme schok gaf. Sommigen huilden en sloegen een kruis. Voor gelovigen was er dan wel de eeuwigheid, maar die bleek toch ook heel verdrietig, voor zover je kon zien.

 

Leo biechtte zijn zonden, bad op de zondagen heftiger dan ooit, deed ook zijn dagelijkse gebeden, maar waar ging het nou om in de wereld, wat moest hij met zijn eigen toekomst? Zijn broer Ed kon wellicht zijn taak in het bedrijf overnemen, want die was nu al 16 en zelf zou hij toch  langer dan een jaar in militaire dienst moeten. Tenzij hij zou kiezen voor “een geestelijk ambt”, zoals dat heette. Degenen die in opleiding waren voor priester of in een klooster God gingen dienen werden vrijgesteld van militaire dienstplicht. Het moorden als soldaat zag hij eigenlijk helemaal niet zitten en de dienst aan God vond hij eigenlijk veel wezenlijker. En uit zijn ervaring met de kerk, de gebeden in zijn missaal, en de prediking voor de Missie, had hij opgemaakt dat kloosterleven mogelijk veel interessanter was, en misschien veel beter paste bij zijn bestemming.







12.  Napoleon bestaat


Zo werd het voorjaar '61. Jacob verbleef te Asselo in het Sint Bernulphus-ziekenhuis. Leo ging er na een maand op bezoek. Met de bus, samen met  Margreet. Hoe zou hij zijn vader vinden? Uitstappen uit de bus en de weg vinden naar het ziekenhuis. Het lag in de bossen, maar een kerktorentje stak boven de bomen uit en daar moest het zijn. De bladeren van de bomen ruisten er, de vogels kwetterden, het voorjaarszonnetje  deed zijn best. Daar was dan de ingang: een grote oprijlaan, met een groot beeld van de heilige Bernulphus in een grasperk. Een zegenende hand heette je welkom. Maar de voordeur van het ziekenhuis ging zwaar. Ze moesten zich melden en even later kwam er een broeder die hen naar de afdeling van vader zou brengen.

 

Lange gangen, sleutels die in sloten werden gestoken, bepaald geen open huis. Schuifelende patiënten in andere gangen, sommigen rochelend en gebogen. Maar op de goede afdeling gekomen bleek het mee te vallen. Vader maakte een rustige indruk en vertelde dat ze soms gingen tafeltennissen, en bordspellen deden. De ramen waren groot en keken uit op vrolijke grasvelden, struiken en bomen. Het leek wel helemaal geen ziekenhuis. Vader vertelde dat er allerlei mensen zaten, zelfs pastoors. Eén ervan vertelde dat hij Napoleon was. Maar die was dan ook een beetje erg gek, echt. Maar de meesten hadden problemen gehad en soms ging het na een tijdje over, als je vaak genoeg met de “spychiater” had gesproken.

 

Leo hoopte maar dat het waar was dat het na een tijdje beter zou worden. Hoe dat nou ging had ie geen idee van, ook niet over wat er nu echt was gebeurd. In ieder geval moest Daan nog een tijdje het bedrijf waarnemen, totdat vader weer terug zou komen. Moeder gaf het meegebrachte fruit en wat pakjes shag en vloeitjes, ze dronken een kopje thee en staarden wat voor zich uit. Wat ging er nu gebeuren en later, hoe zou de toekomst worden? Daan mocht dan aardig zijn, maar die kon ook niet meer lang blijven waarnemen. Er moest geld verdiend worden om de schulden te kunnen afbetalen. Welk plafond hing boven hun hoofd en zouden ze er onderuit komen? Vragen, vragen, geen antwoorden. Na afscheid weer terug met de bus, naar huis met broer Ed en zus Vera. Oom Karel had zolang opgepast.

 

Maar oom Karel was opgewonden: juist die middag was een buurkind verongelukt vlak bij hun huis.  Bij de bocht was het kind overgestoken, terwijl de bus aankwam. Het kind werd aangereden en was op slag dood geweest. Weer een ziel voor de hemel, dacht Leo, hoe  kan God zo wreed zijn? Of was het toch gewoon dom mensenwerk? De hemel en het vagevuur, Leo bleef ermee zitten. Het jonge buurkind zal wel niet in het vagevuur hoeven, want wat kon die nou gezondigd hebben, nou ja, misschien ongehoorzaam aan de ouders, maar kwam je dan in het vagevuur? Mattijs, de buurjongen, zou het niet kunnen vertellen. Pasen kwam eraan, het feest van de verrijzenis en eens zouden we allemaal verrijzen, met de wederkomst van Jezus. Alle doden zouden uit hun graf komen en weer met hun zielen worden verenigd, voor Gods aanschijn, .

 

Met Pasen kwam vader weer thuis. Dat was dan in ieder geval iets, maar hoe zou het verder gaan?

Weer dezelfde volgorde van planten en rooien van de aardappels, weer tulpen rooien, laten pellen, sorteren, en tellen voor aflevering. Weer herfst met bietjes rooien, wortels, kool snijden. Leo wist het, maar er vrede mee hebben? Nee, studeren dan, 's avonds, om te zijner tijd te ontsnappen aan het herhalende ritme van de seizoenen, waarvoor hij niet had gekozen. Maar wat viel er te kiezen? Wat heeft er zin, wat moet je vermijden, welk gevaar moet je bestrijden?

 

Vóór Pasen werd er in de kerk gepreekt voor “roepingen” in de parochie. Het ging om jonge mensen die de stem van God zouden horen om tot zuster, broeder of priester  in dienst van God te  komen. Dat oversteeg toch zeker het seizoenswerk op het land en Leo voelde zich er wel enigszins toe aangetrokken. Bidden zou helpen en was ook wel mysterieus, zoals God ook een mysterie was. Dat leek Leo spannender en meer ruimte te bieden dan het eentonige werk wat hij moest doen om bij te dragen aan het inkomen van het gezin. De kerk van de Broeders ademde ruimte en misschien de mogelijkheid om belangrijker dingen voor de mensheid te ontdekken. Het gaat toch om de verlossing van mensen, de toewijding aan God? Dan komt er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar geen onrecht meer zal zijn, zo maakte Leo op uit de preken.







11. Spanning ten top

 

Voorjaar 1960: het was weer aardappels poten in de boorgaatjes en daarna aanaarden. Rotterdam had inmiddels zijn Euromast en  de film “Ben Hur” draaide in de bioscoop. Leo ging er met zijn vriend Bart, in het naburige stadje, naar toe. Spannend was het en geweldig en na afloop nog even naar de snackbar voor een kroketje uit de automaat. Bart moest door de week ook hard werken en dit was een beetje afleiding op de zondag. Maar verder kwam het niet erg tot een gesprek, want levens- en geloofsvragen bleven Leo bezighouden en Bart had daar niet zoveel mee, ondanks dat zijn moeder kort geleden was gestorven. In de hemel zou er rust zijn, eeuwige rust zelfs en veel engelen die God prezen, je kon je er moeilijk een voorstelling van maken, al was het je zo geleerd. Door de spoetnik van de Russen en de wens van de Amerikanen om ook kunstmanen te bouwen, vroeg Leo zich af hoe ver dat zou gaan. Wat zou er van de paradijselijke hemel overblijven, en  van God de Vader op zijn hemeltroon? Of waren het toch maar te mooie verhalen van de kerk?

 

Met de verjaardag van opa was het weer ruzie geweest, waarover zo min mogelijk werd gesproken, helemaal niet met de kinderen. Hoe kon je dat nou plaatsen met die heiligenbeelden in huis, het kruis van Jezus met palmtak, het vrome bidden van opoe en moeder, en toch steeds weer narigheid? Daar kon de maandelijkse biecht toch kennelijk niets aan veranderen. Maar wat schoot je er dan mee op? Iedere keer meer je best doen, bidden bij de heilige communie op zondag, en toch bleven problemen en ruzies komen. De rinkelende kopjes, de stemverheffingen, de verwijten, Leo kon het niet plaatsen met de heilsboodschap van de kerk. Iedere mis begon op zondag met een schuldbelijdenis, “we zijn  zondaars, en schenk ons vergeving Heer”, en bij de communie werd drie keer gebeden: “Heer ik ben niet waardig”, maar wat hielp het nou? Leo kon zich er niet bij neerleggen.

 

Het werd Leo een keer teveel: hij liep een eindje weg van huis, toen er weer zo'n woordeloze spanning opkwam tijdens het werken met zijn vader. Huilend liep hij een weiland in en wist niet wat te doen. Een voorbijkomende groenteboer kwam hem achterna, die zag dat dat gedrag vreemd was, en vroeg : “wil je een sigaret” waarop Leo weer even bijkwam. Half verdwaasd liet hij zich weer meenemen naar huis, waarop zijn vader hem verwijtend vroeg: “wat is er dan?” Maar Leo wist het niet. Aan het werk maar weer, dan kom je er wel overheen, bromde z'n vader. Maar geloven deed Leo dat niet, en met tegenzin ging hij weer bezig met uitladen van bollen uit de schuit en ze in de bakken naar de schuur sjouwen.

 

Zo woekerde de zomer voort. Problemen waar Leo niet in werd gekend, waar hij niets van begreep.

Een ploeterende vader die uit alle macht probeerde te voldoen aan eisen door handelaren gesteld, wat betreft kwaliteit en afleverdata. Spanning als een vaalgrijze onderzeeër, die ieder moment kon opduiken en waarvan je niet wist wat die zou uitrichten. Gebeden ten hemel die minstens zo onzeker werden verstuurd. Een dreigende duivel met gloeiende staart en harige klauwen die je kon grijpen. Een oneindig verre God, die het liet afweten en zelfs geen echo van de gebeden liet terugkomen. Het onweer dat raaksloeg en boerderijen verwoestte en koeien doodde. De dreunende aarde die werd nagespeeld door zijn soms woedende vader. Onbegrijpelijk.

 

Zo kwam er met de herfststormen in dat jaar menselijk onweer. De avond was grauw en Leo was boven, zijn huiswerk voor zijn schriftelijke cursus aan het maken. Woorden hoorde hij, hardere woorden, het trillen van de opstandige tafel beneden die woedend terugtrilde op de vuistslagen van zijn vader. Het werd te erg. Geklap van deuren. Een auto naderde, en nog een, en hield stil. Lawaai en geschreeuw, gestamp van voeten, gehuil van zijn moeder, even later was het stil, doodstil leek het. Margreet riep Leo beneden te komen. Ze vertelde dat vader was opgehaald door verplegers, want vader was ziek, overspannen heette dat. Vader werd naar Sint Bernulphus gebracht, in Asselo, daar zou hij een tijdje blijven en opknappen, zo zei zijn moeder.

 

De volgende dag was Leo alleen op het land. De dag erna zou er ziektevervanging komen, volwassenen die bij toerbeurt invielen en verstand van zaken hadden. Leo wachtte het af. Later kwam er een vroegere dorpsgenoot van Margreet, Daan, die tijdelijk de zaken zou waarnemen. Leo vond hem een aardige man, hij kon grappen maken en lachen, heel anders dan zijn vader. Daan kon het ook goed vinden met Margreet: vroeger hadden zij beiden in hetzelfde Zuiderdorp gewoond, als tieners. Dan was er nog Lies, die hielp op wasdag met het huishouden. Het leek allemaal heel anders, ontspannen. Ook Lies lachte vaker, Leo genoot voorzichtig van de lichtjes in haar ogen. Wat zag je daar nou in leven, hemel en hel waren nu ver weg, het aardse leek wel meer hemels dan ooit, maar Leo dacht tegelijk aan de gebeden in de kerk, waar de aarde als een tranendal en vol zondaars werd voorgesteld, want iedere zondag was het “mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa”, wat betekende; “door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn allergrootste schuld”.

 

De broer van Leo, Ed, was nog steeds op school, vier dagen in de week, de vijfde en zesde dag in de week hielp die ook al mee op het land. De zevende dag was het zondag. Dan ging Ed met zijn vrienden uit, ook wel op zaterdagavond, maar Leo niet. Leo wilde zich ontworstelen aan de beperkte wereld van bietjes, kool, tulpen en aardappelen, als de tijd er rijp voor was. Ter voorbereiding was  de schriftelijke cursus Mulo mogelijk een opstap. Naar wat, Leo wist het niet, maar later tuinbouwer worden, dat zag hij niet zitten. Nu moest hij er maar het beste van maken, zolang zijn vader en moeder hem nodig hadden voor het bedrijf, om geld te verdienen en de schulden van het huis en bedrijf te kunnen voldoen. Als Ed oud genoeg was en klaar was met school, zou die mogelijk zijn taken kunnen overnemen, hoopte hij stilletjes. Het “waartoe zijn wij op aarde” bleef vooralsnog een onopgeloste puzzel, in afwachtend doorploeteren.






10. Levensregels als uitweg uit spanning?

 

“Da's dus geregeld”, zei Jacob tegen Margreet. “Van het geld dus” antwoordde ze. Leo snapte dat het over het terugbetalen van de schuld aan opa ging. Dat was een hele geruststelling. In oktober werd het geld uitbetaald wat met de verkoop van de bollen was verdiend. Jacob kon zo zijn schulden weer voldoen. Maar Leo piekerde door over de spanningen die hij die zomer in 1958 had ervaren. Het zinde hem niet dat voldoende geld het ineens zoveel rustiger leek te maken, waarom dan al die opwinding en woede's eerder die zomer van zijn vader? En de gebeden van zijn moeder, hadden die  nou voor oplossing gezorgd? Levensregels zocht Leo, hoe om te gaan met bedrog, geldgebrek, de onzekerheden over marktprijzen. En wat hadden de zekerheden van het geloof ermee van doen, “God is liefde” leerden ze in de kerk, maar wat had je er nu echt aan? De tien geboden waren er dan wel, maar als anderen er zich niet aan hielden en je werd de dupe van hun bedrog of valsheid?

 

Zo werd het voorjaar '59, Leo werd zestien, en al heel wat mans. Hij kon zelf de motor van de schuit aanslingeren, zelf sturen en vrachten naar de veiling brengen. Maar lekker in zijn vel zat ie niet. Gebrek aan zin was het, al wat ie deed was meer uit plicht en gehoorzaamheid.  Het kon niet anders, hij was op weg naar een bestemming die hij niet zelf bepaalde, maar door de omstandigheden, de noodzaak om geld te verdienen en zijn vader te helpen. Weinig leuke dingen waren er die hem aanspraken, al was hij wel nieuwsgierig naar nieuws in kranten en op de radio. De strip in de krant, hoorspelen op de radio, wat boeken die hij kocht. Hij wilde eigenlijk een andere toekomst, als zijn broer Ed oud genoeg zou zijn om zijn vader te helpen met het bedrijf. Leo informeerde naar een schriftelijke cursus  mulo, die hij in de avonden en op zondag zou kunnen doen, op mogelijk een eigen kamertje op zolder. Ook  zijn  vriend Bart dacht daarover, want kinderen van tuinders hoorden  tuinder te worden, maar sommigen, ook Bart ,wilden meer, en toch ook bijdragen aan het inkomen van het gezin.

 

Gelukkig had Margreet er oog voor, kennelijk voelde ze aan dat Leo misschien op dood spoor zat, en dat studie hem misschien daaruit zou kunnen redden. Bovendien mocht de vriend van Leo het ook, en zo had ze het erover met Jacob. En dus werd er een klein studiekamertje op zolder gemaakt, waar Leo zijn schriftelijke cursus in alle rust kon doen, al viel dat niet mee na een hele dag op het land gewerkt te hebben. Dikke woordenboeken werden aangeschaft, maar Leo wist ook niet precies waar hij met zijn studie naar toe wilde of kon. Het was  in ieder geval iets, waardoor het uitzicht op een voortdurend geploeter in de vaak koude grond, enigszins werd versluierd. Wie weet zou de cursus op den duur kansen bieden.

 

Zo werd de zomer wat draaglijker, want de studie in de herfst, als er wat meer tijd was in de avonden, zou dan afleiding bieden. Maar gunstig weer om te rooien of niet, gunstiger of ongunstiger prijzen of niet, spanningen bleven en Leo vroeg zich af wat zijn vader wel echt van die studieplannen dacht en of die niet eerder bevreesd was zijn zoon als knecht in het bedrijf te verliezen. Maar Leo durfde het er niet over te hebben en Jacob bleef er gesloten over en beperkte zich tot  werk-aanwijzingen  en soms gemopper.

 

Zo hielp ook Lies, het buurmeisje van Leo's leeftijd, die doordeweeks op wasdag zijn moeder hielp met het huishouden, in die zomer met het pellen van tulpen. Soms was Lies nog in de schuur als Leo en en Jacob van het land terugkwamen. Ze had een gelukkige lach over zich en Leo voelde zich beter als ie haar even had gezien.  Wat maakte Leo op uit haar oogopslag, voelde hij zich aangetrokken? Dat nou ook weer niet. Maar wel dacht ie aan het aards paradijs uit de bijbel, waar Adam en Eva het eerst zo fantastisch hadden, maar later werden verjaagd door de engel met het zwaard, omdat ze gezondigd hadden. Was werken en leren nu je lot, wat was de beloning, wat betekende “God dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig zijn”?

 

In september werd het weer kermis in Zuiderdorp. Vrolijkheid zou je denken, maar Leo kon er niet veel mee. De zweefmolen vond ie niks en inmiddels kinderachtig, koekslaan was dan nog wat, voor het café was ie eigenlijk te jong en hij hield niet van drinken en het lawaaiig gedoe, en op dansles was ie nog niet geweest. Langs de kant zitten had ie ook geen zin in. Erger was dat zijn vader kennelijk ruzie in het café had gekregen, want Jacob kwam later op de avond thuis met een enorme klap van de deur. Leo was al boven en hoorde de stemverheffing van zijn vader tegen Margreet. Het ging over oom Karel die zijn vader verkeerde dingen zou hebben gezegd en Margreets vader was een rotzak hoorde Leo. Leo snapte er niets van, maar wat later leek het toch weer over geld te gaan, opa had hem “het mes op de keel gezet”, wat Leo zich niet kon voorstellen, maar hij hoorde het toch. Zouden er klappen gaan vallen, vroeg Leo zich af, zo heftig klonk de woedende stem van zijn vader. Wat kon hij doen?







9. Misvatting en crisis

 

Het werd weer aardappels rooien, juni 1958. Met het  schopje, op de knieën, zij aan zij met Jacob, Leo nu twee regels en zijn vader drie, en de kist tussen hen in voortgesleept tot ie vol was. Dan weer een lege kist halen en zo verder de hele dag door met een paar pauze's om te eten in het schuurtje. Af en toe de volle kisten op de kruiwagen naar de slootkant rijden en stapelen. 25 kilo per kist en, als de grond niet te nat was, tot wel vijf kisten op de inmiddels aangeschafte ijzeren kruiwagen met luchtband. Toch voelde het leeg voor Leo, was dat nou de zin van het leven, moest je daar nu plezier in hebben, of was het alleen maar om geld te verdienen? “In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen” zo stond er in de bijbel. Dat was na de zondeval door Adam, die zich door Eva liet verleiden om te eten van de boom van goed en kwaad, wat God had verboden.

 

Zo spookten Leo allerlei gedachten door het hoofd: zou hij weerstand hebben kunnen bieden aan de verleiding als hij Adam was geweest? En de rol van Eva en de slang in de boom, die Eva had verleid? Uit de plaatjes over dat aards paradijs had hij begrepen dat het er lekker warm was, met allerlei vruchten aan de bomen en bovendien schaamden Adam en Eva zich niet en liepen naakt in het zonnetje, zonder te hoeven zwoegen met een zeildoeken kruipbroek aan en vermoeiend aardappels te hoeven rooien. Was Leo een dromer en schoot het werk eigenlijk wel op? Tijdens de pauze in het schuurtje, vroeg Leo eens aan Jacob over het paradijs, maar die antwoordde knorrig en bitter dat het in deze wereld alleen om geld draait  en dat je de je fabels over het paradijs wel kon vergeten, alleen dat kon ie beter niet tegen zijn moeder vertellen of anderen bij het zondagse kerken, want “dat was niet best”.

 

Eind juni, begin juli waren de tulpen aan de beurt om gerooid te worden. Weer op de knieën, met de kruipbroek aan en nu met een ander soort schop de dwarse regeltjes van een meter breed openhakken en dan de tulpen opwippen en in de mand voor je voorzichtig erin gooien. De tulpen waren dan al dood en het loof was er eerst afgeschoffeld en opgeharkt. De grond was dan ook al droger dan bij de aardappelen, die groen gerooid werden, soms werden het al harde kluiten die aan je knieën zeer deden. Maar gelukkig kwam er soms een flinke onweersbui, dan kon je na het schuilen, in de wat zachter geworden grond gemakkelijker werken. Niet altijd liep dat onweer goed af voor iedereen, want soms werden er koeien door het onweer getroffen, een keer in die zomer was zelfs een boerderij getroffen en in brand gevlogen, Leo en Jacob konden het vanuit de verte zien. Toen Leo na etenstijd, om acht uur 's avonds even op de fiets erheen ging, bleek er van de boerderij niets meer over dan wat brandende resten en stonden de boer, familie en buren, met betraande ogen te kijken bij het nablussen door de brandweer.

 

Broeierig warm was het eind juli. De tulpen waren “eruit” en werden gepeld in de schuur aan lange tafels, waar vrouwen en meisjes uit de buurt, de hele dag op hun stoel, de tulpen ontdeden van hun wortelbaard en schillen, en in schalen deden en die weer in manden kiepten. Ze werden per mand betaald. Daarna moesten 's avonds de gepelde tulpenbollen in de rieten manden, met zo'n 30 kilo aan gewicht, worden gesorteerd op de inmiddels elektrische sorteermachine. Dat ding stond dan te schudden met een soort klap-mechanisme, bonk-bonk, waardoor de tulpen van groot naar klein door sorteerplaten werden geschud, op maat. De grootsten waren de zogenaamde “leverbaren” voor de export, de maten elf en twaalf . Die moesten later met de hand worden uitgeteld door Leo en Jacob en weer in manden klaargezet om opgehaald te worden door de vrachtrijder, die ze vaak naar Hillegom of Lisse bracht. Daar woonden de meeste exporteurs, die ze dan weer doorverkochten naar Amerika of Japan. Handelaren die aan huis kwamen regelden dat, maar niet altijd tot tevredenheid.

 

Zo was het inmiddels begin augustus en een deel van de geleverde tulpenbollen bleek te zijn afgekeurd, wat een financiële strop kon betekenen. Maar waren de keurmeesters wel eerlijk geweest of overdreven ze het aantal  “kale” of beschadigde bollen? Jacob was het er totaal niet mee eens en nam contact op met de handelaar. Maar die zei dat ie er niets aan kon doen, waarop Jacob woedend werd; die lui in Lisse, oplichters zijn het, schreeuwde hij naar Margreet. Maar Margreet wist het ook niet en probeerde Jacob te kalmeren, wat weinig hielp, want ook de naam van opa viel, en het had te maken met afbetaling van de schulden die nu in het nauw kwam. En die opa, was wel de vader van Margreet. Kon die niet wat soepeler wezen en uitstel van betaling regelen, wat voor een vader van Margreet was dat, vroeg Leo zich af. Klappen vielen er op de tafel, dat de kopjes ervan rinkelden, de woede van Jacob leek niet te bedaren. Gelukkig was er inmiddels een telefoon in huis, waardoor de moeder van Leo kon bellen om hulp. Het bleek de dokter te zijn, die kwam, maar wat die nou precies deed, Leo kwam er niet achter, want hij was inmiddels, net als de andere kinderen naar boven naar de slaapkamer gevlucht.

 

Later op de avond werd het weer rustig, Jacob was stil, en Leo schilde een appeltje voor het naar bed gaan, maar vragen durfde hij niets. Van binnen  kolkten vragen en Leo werd stiller en stiller de volgende dagen. De vraag waar de barmhartige God, die de verdrukten zou moeten helpen, waar  die nou bleef, knaagde van binnen. Wat had je aan al die mooie gebeden op zondag? Wat hielpen de rozenhoedjes in de mei- en oktobermaand? Hielden de mensen zich niet aan de geboden van God of niet genoeg, en als zondaars en oplichters werden gestraft, waarom dan kennelijk pas in het hiernamaals, in de hel? Leo kwam er niet uit.

 

Op 1 november, op Allerheiligen, een vrije dag als zondag, werd Leo toch weer gesticht door de voorbeelden van hen die in het verleden heldhaftig waren geweest voor het geloof, het soms met hun dood hadden moeten bekopen, maar later wel door de paus heilig waren verklaard. De paus was de plaatsbekleder van Christus op aarde en was onfeilbaar. Dus die hele reeks heiligen waren toch maar dapper genoeg geweest om Christus na te volgen en hadden nu een gegarandeerde plaats in de hemel en in de Heilige Rooms-Katholiek kerk, die als een moeder voor zijn gelovigen is. Zo werd dat feest weer een bemoediging voor Leo om, als je de juiste regels volgde, en je hield aan de geboden van de kerk, dat je toch een zinvol leven nu en later kon beleven. Zijn moeder, Margreet, bleef ook altijd bidden als er problemen of spanningen waren, en dat kon toch niet tevergeefs zijn?

 

 






8.Ruimtevrees voor God?

 

God en gebod, mensbestemming, vragen die Leo drukten, naast ook vrolijker momenten. Maar waaraan had je nu houvast? Zijn schoolvriend Bart pakte het allemaal wat lichter op. Met een opgeruimd gevoel fietste die naar de tuinbouwschool, met Leo, en al liep het voorwiel van diens fiets er eens met een rare smak vanaf, de fiets kreeg geen schop na, en Bart lachte erom, want nu kreeg hij eindelijk een betere fiets, zo hoopte hij. Met biljarten in het plaatselijk café was het Bart die er altijd de stemming in hield, op zondag na de kerk. Leo vond dat er soms oneerlijk werd gespeeld, door afleidingsmanoeuvres waardoor je uit je concentratie werd gehaald, grappen, maar Bart zat er niet mee.

 

De moeder van Bart was weer in verwachting en Leo hoorde erover praten bij Bart thuis. Het kon verkeerd aflopen en er waren al veel broers en zussen van Bart. Maar ook daar was het godsvertrouwen groot en daarmee de berusting in het lot. De leeftijd van de moeder speelde een rol, zo begreep Leo. Op een kwade dag hoorde Leo, net van het werk op het land thuis, de kerkklok luiden 's avonds zes uur. Er was iemand overleden. Leo vroeg zijn vader of het misschien de moeder van Bart kon zijn, maar Jacob antwoordde van nee, maar wie dan wel? Later in de week bleek toch de moeder van Bart te zijn overleden, en ook het kindje was erbij doodgegaan. Ze werden samen in hetzelfde graf begraven, achter de kerk. Bij Bart thuis liet die een glazen fles zien, waarin wat hoofdhaar van zijn moeder was bewaard. Leo vond dat maar vreemd, hij had dat nog nooit meegemaakt. Gelukkig was er een eeuwig leven in de hemel, “waar alle treurenden zouden worden getroost”, maar Leo voelde meer de leegte bij Bart thuis, want die moeder was altijd erg vriendelijk en Barts vader soms nogal stug.

 

December '57 was het ijskoud in de schuur. Er moesten bietjes voor de markt worden klaargemaakt. Samen met Jacob stond Leo aan de “hort” en werden de bietjes met de hand schoongemaakt van de resten modder en werden ze gesorteerd in verschillende maten. Vooral de modder was een ellende: Jacob roste er op los en Leo schrok soms van de heftige, soms ogenschijnlijk kwade bewegingen over de smerige bietjes. Communicatie was er niet en eigenlijk was het soms nog erger dan een graf of begraafplaats, daar was het tenminste nog echt stil en hier moest hij maar gissen wat er eigenlijk speelde. Waren de prijzen wel hoog genoeg, waren er geldzorgen bij z'n vader, was er misschien ruzie geweest met opa of oom Karel over geld en aflossing van schulden? Want Leo begreep wel dat zijn vader van hen geld had geleend en dat het terugbetaald moest worden.

 

In Januari '58 kwam in het radionieuws dat ook de Amerikanen een kunstmaan wilden, zoals de Russen al hadden. Er zou zich een ruimte-wedloop kunnen ontwikkelen en de verdachte Russen zouden mogelijk wapens vanuit de ruimte kunnen gaan gebruiken tegen het vrije westen. Hoewel de goddeloosheid van de communisten hen eigenlijk op achterstand zou moeten zetten, bleken ze toch een voorsprong op de Amerikanen te hebben. En al was het Amerika dan toch gelukt om met de atoombom Japan op de knieën te krijgen, de vraag of de Russen niet even slim konden worden en zelfs beter, zorgde voor angst, want godsvertrouwen leek toch niet voldoende, al hoorde Leo voldoende teksten op zondag in de kerk, waarin de Almachtige de vijanden van Jaweh zou verpletteren.

 

Tijdens de zondagse hoogmis, als de ouders van Jacob met de jongere kinderen naar de kerk waren, kon Leo zich wassen bij de kachel voor de wekelijkse beurt. Dat gebeurde met een kommetje water gevuld vanuit de  waterkoker en aangevuld met koud water uit de kraan. Het schone ondergoed was al door zijn moeder klaargelegd. Tijdens het wassen bij de kachel stootte Leo bijna met zijn piemel ertegen, maar  het liep met een sisser af. De kamer kwam maar net op temperatuur en dicht bij de kachel was het warmer als je in je blootje stond te friemelen met je washandje. Eerder had Leo bij het aanmaken van de kachel turf en houtjes uit de schuur moeten halen en had zijn vader met een beetje petroleum op de turf de kachel met een krant aangemaakt. Wat later gingen er eierkolen op, die eens in de twee maanden werden gebracht door de kolenboer in de schuur.

 

Eens per jaar, meestal vóór Pasen ging Leo met zijn moeder op een zaterdag naar het naburige stadje met de bus, om er nieuwe kleding te kopen. Een nieuw pak werd bij Bervoets in een kartonnen doos gedaan en nog wat andere spullen in een papieren tas, zoals overhemden en een stropdas en sokken. Vóór Pasen zeker moest je altijd te biecht, want ook “van binnen” moest je in het net en door de biecht werd je ziel weer wit gewassen.  Dankzij het biechtgeheim waren je zonden alleen voor God duidelijk, hoewel Leo het vreemd vond dat een biechtvader eens een vraag stelde of hij soms wat traag was. Hoe kan die daar nou een idee van hebben? Wel had Leo van zijn vader begrepen dat het  werktempo van hem zijn vader soms niet zo goed beviel, maar Leo hield ervan om zijn werk goed en secuur te doen, want fouten maken en slordig zijn was toch ook zonde?  Welke biechtvader had zijn vader eigenlijk?

 

Mei '58 werd de nieuwe pier bij Scheveningen geopend. Maar voor Leo was dat ongeveer het eind van de wereld. Wel was hij al eens op de fiets naar Amsterdam-Noord geweest, naar een oom en neef die daar woonde, maar dat was tamelijk buiten, want die oom had ook dichtbij een volkstuin waar Leo met zijn neef naar toe was geweest. Dat was niet veel anders dan thuis en het echte Amsterdam lag ver weg, want dan moest je met een pont over, zo hoorde hij. Nee, Scheveningen, daar kon je alleen maar van dromen, dat was iets voor rijke mensen die een auto hadden en die waren er niet veel in Zuiderdorp.  Het enige vertier was het biljart in het plaatselijk café, de kermis in Zuiderdorp en in het naburige stadje, en verder de radio, boeken en soms een enkele keer naar de film, maar dan moest je er wel eerst een half uur voor fietsen.

 

De wereld, je wist niet wat je eraan had. De buitenwereld leek soms boos en bedreigend door verhalen over communisten in Rusland en China. In China lanceerde de communistenleider Mao “De grote sprong voorwaarts”, maar waarheen die moest leiden zonder God en gebod: dat leek onmogelijk en alleen maar een bedreiging: naast het rode gevaar werd ook al over het gele gevaar gesproken, wat dat dan ook mocht inhouden. Leo was in verwarring, antwoorden van zijn vader kreeg hij niet, van de kerk en God bleef het vaag, hoewel er wel een soort vredig gevoel uitging van de Gregoriaanse gezangen op zondag in de hoogmis en bij de kerkelijke feestdagen. Het antwoord op de vraag: “Waartoe zijn wij op aarde?” bleef ondanks de catechismus, waar het toch zwart op wit in stond, toch onduidelijk. Leo werd eigenlijk steeds onzekerder en zocht voor zichzelf een antwoord.







7. Zomergevloek

 

Inmiddels was het zomer '57. Leo was nu veertien en werd geacht als “volwassene” mee te werken op het land. Dat hield in om half vijf in de zomer op, om vijf uur aan het werk tot tenminste zes uur 's avonds, zes dagen per week arbeid met de handen en voeten. Zo ging het met aardappels rooien en ook tulpen, een secuur handwerk, want je mocht die dure bollen niet beschadigen bij het werken met je schop. Maar zwaarder nog was de druk die Leo voelde door het zwijgende ploeteren van zijn vader, Jacob. Er was nauwelijks gesprek mogelijk, dan over werk wat gedaan moest worden, en Leo voelde een spanning die soms vreemd tot uitdrukking kwam door het binnensmonds vloeken van zijn vader.

 

In de avonduren of zondags kwam het af en toe in die zomer tot gesprekken tussen Jacob en Margreet,  maar meestal ging het over geld en zaken, en Leo werd er niet in betrokken, maar voelde wel de spanning. Er zat iets mis, de stemverheffingen van Jacob joegen Leo schrik aan en hij kon niet volgen waarover het conflict ging. Twijfels bij Leo, die zich afvroeg wat het allemaal betekende en of dit het nu was, voor je toekomst: ploeteren en zuchten om geld te verdienen, wat kennelijk nodig was omdat er anders iets heel ergs dreigde. Was dit nou het rijk Gods op aarde waarover je zondags zulke mooie woorden hoorde? Of was het hier eerder een tranendal en moest je maar  hopen op een latere hemel, na je dood? Maar waarvoor was je dan eerst hier, alleen om die toekomst te verdienen in het hiernamaals?

 

Zo verging de zomer, met modder aan je klompen, vuile handen die je in de sloot moest wassen voor je de meegebracht boterhammen kon eten in het schaftschuurtje, plassen in de walkant en ploeteren op je knieën. Maar de zin van dit alles, het geloof in de toekomst? De kermis in september mocht dan een afleiding zijn, of misschien dansles, maar daar vond Margreet Leo nog te jong voor: je moest wel 15 wezen. Van schoolgenoten op de ene dag per week naar school: daar werd je ook niet wijzer van. Je moest je vakken leren, behalve een beetje Nederlands, vakken als natuur- en scheikunde, groente- bloembollenteelt allemaal braaf te doen, maar dan later tuinbouwer worden met huisje, boompje, beestje?

 

Kennishonger nam bezit van Leo. Zelf neuzen in de krant, zelf bestellen of kopen van boeken. Zelf oriënteren op andere/ nadere studie, het was zoeken en aarzelen, onzekerheid over welke kant op te (kunnen) gaan. Weg kunnen uit de situatie was niet mogelijk: Leo moest z'n vader helpen want er was veel werk te doen, en als oudste was hij ertoe verplicht. Maar er zin in hebben, nee, dat zeker niet. Maar waarin dan wel? Het boek “De Blijde Boodschap”, aangeschaft in het eerste jaar van de tuinbouwschool, en de toelichting/ les van de kapelaan daarover bleef toch te vaag: je mocht dan honderd keer Gods kind zijn, het nam niet weg dat je eigenlijk geen antwoord kreeg op je vragen.

 

Zonden, die moest je vermijden, want de toorn Gods kon over je komen en dat was heel erg. Maar Leo had meer de toorn des mensen gezien, ruzies op de kermis, en van de boze hoofdonderwijzer op school, toen die merkte dat een leerling “ iets” liet opwippen in zijn broek, al was het onder de bank, terwijl anderen zaten te gniffelen. Boos was de leraar geweest, bijna had hij de leerling geslagen, iets van de toorn Gods leek er wel in door te schemeren. Het had waarschijnlijk te maken met een van de tien geboden, over onkuisheid. Je kon het dan wel biechten, maar zonde was het. Leo zat daar ook wel mee, want soms, 's nachts, kreeg je een stijve en dan kwam er wel wat uit, vooral als je “eraan zat”. Vermoedelijk was dat zonde en biechtte je het dan maar.

 

Zo werd het herfst en ook rode bietjes rooien behoorde tot het werk. Ze werden dan soms in de schuit naar de schuur vervoerd. Toen Leo eens van een hoge kant op de schuit sprong, op de gladde en modderige bietjes, gleed hij eraf en viel in het water, dat op die plek tamelijk diep was. Spartelend in het water zag hij de blauwe hemel, en kreeg het benauwd, want hij kon niet zwemmen. In een flits zag hij de mogelijke hemel voor zich waar je kon komen, als je verdronk, en wel in staat van genade was, wat betekende dat je dan niet nog op te biechten doodzonden op je geweten had, zoals kerkverzuim op zondag. Maar Jacob zag kans om z'n zoon bij de kraag uit het water op de volgeladen schuit te trekken en Leo zag dat de aarde nog was zoals ie was. Toen Leo aan Margreet moest vertellen wat er was gebeurd, want hij was kleddernat thuisgekomen, antwoordde Margreet dat het misschien een waarschuwing van God was voor zonden die 's nachts konden gebeuren. Gaat Gods hand zo te werk vroeg Leo zich toen af . Was de watersnood in  Zeeland dan misschien toch een waarschuwing of straf van God voor de mogelijk zondige Zeeuwen geweest? Maar hoe zouden dan de mensen worden gewaarschuwd die op de hogere delen van Nederland woonden?

 

In oktober van dat jaar ging de eerste Russische aardsataliet de ruimte in: de Spoetnik. Dat was vast een waarschuwing van God dat de communisten ons mogelijk zouden bedreigen voor ons zondig gedrag in het westen. Een jaar terug hadden ze ook al toegeslagen in Hongarije, en er waren veel Hongaren naar het christelijke Nederland gevlucht en liefdevol opgevangen, zoals het christenen betaamt. De navolging van Christus, daar ging het in het leven om, zo begreep Leo uit de preken op zondag. Als wij ons daar niet aan hielden dan kon de antichrist in Gods naam  wraak op ons nemen. Toch kon Leo het niet plaatsen, dat een goede God, God van liefde, dan zoiets kon laten gebeuren, als in de oorlog, toen de goddeloze aanhangers van Hitler en de fascisten zo hadden huisgehouden in Nederland en andere landen.







6. Voorjaarszwoegen

 

Maart 1957: Leo werd veertien. Het voorjaar liet zich schoorvoetend zien. Als de vorst uit de grond was moest er gespit worden. Gelukkig had oom Karel een kleine trekker gekocht, eentje op twee wielen. Daarmee kon hij ook het land van zijn zwager Jacob klaarmaken voor het nieuwe seizoen. Met de diesel, kon de grond worden gefreesd, zoals ze zeiden, in Noorderdorp noemden ze zo'n apparaat ook nog wel spitmachine. Maar spitten was eigenlijk het omdraaien van de grond met een greep, die je dan met een voet in de grond duwde en vervolgens de draaibeweging maakte: bovenste onder. Maar de freesmachine draaide alleen met haken aan een as de grond snel rond, zodat het los kwam voor de nieuw te planten aardappels of in de te zaaien groente.

 

De kanten van de sloten rondom de stukken land moesten nog wel met de hand worden gespit, want te dicht bij het water zou de freesmachine in de sloot kunnen vallen, wat wel eens een enkele keer bij een tuinder gebeurde, onder het nodige gevloek. De trekker moest dan uit het water getakeld worden en gerepareerd, wat weken kon duren en zonde was van het geld en de tijd. Leo moest ook leren “kantjesspitten” wat behoorlijk zwaar werk was in de klei-achtige grond. Met de  handen moesten bovendien nog de graswortels en wortelstokken van het zogenaamde “kweek” eruit worden gehaald. Dat moest je dan in de slootkant gooien. Kantjes kweken noemden ze dat ook wel, maar het was zwaar werk en je kreeg het ervan in je rug.

 

Diezelfde slootkanten waren een paradijs voor ratten, die het op de geplante tulpen of nagebleven groenteresten hadden voorzien. Daarom plaatste Jacob om de zoveel meter rattenfuiken van ijzergaas in de slootkanten, die regelmatig moesten worden leeggemaakt. De erin verdronken ratten moesten via een klein gaasluikje uit de fuik worden geschud. Maar meestal deed Jacob dat. De biddag voor het gewas was niet voldoende om een goede oogst te krijgen: ongedierte moest worden bestreden en er moest hard worden gewerkt. Dat stond trouwens ook in de bijbel: “In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen”, dat had Leo letterlijk gelezen. En de bijbel was het woord van God. Alleen ellendig dat Adam en Eva zich nou door zo'n stomme appelboom met die leugenachtige slang hadden laten verleiden. Nu moest de hele mensheid zich voor hun zonden in het zweet werken, ondanks dat Jezus toch de mensheid had verlost door diens kruisdood. Wat hield die verlossing dan eigenlijk in, hoe moest je dat begrijpen, vroeg Leo zich dan soms in de zondagse mis af.

 

Voor moeder Margreet was het huishouden te zwaar om alleen te doen. Daarom was er een buurmeisje als hulp in de huishouding gevraagd om te komen werken en te helpen met de was. Haar naam was Lies, ze was een jaar ouder dan Leo en had heel mooie ogen, vond Leo, en donker haar. Een enkele keer zag Leo haar, als ie van de tuinbouwschool na de halve lesdag op woensdag thuiskwam. Dan was Lies soms bezig met de was, die met de hand uit de houten wasmachine was gehaald en dan vanuit een emmer in een losse centrifuge in de doucheruimte werd gedaan. Dat was al een hele verbetering vergeleken met vroeger in Noorderdorp, toen de lange stukken, als lakens, nog door de wringer gedraaid moesten worden, waarbij Leo wel eens had mogen helpen.

 

Het aardappels poten in april was weer veel lichter werk. Jacob maakte gaten in grond met een soort metalen boor, en Leo moest de aardappels met spruiten eraan dan vanuit een bak en op de knieën in de gaatjes doen en die dichtschuiven. Dat was eigenlijk lekker werk, want de gefreesde grond was lekker zacht aan je knieën. Het zaaien voor wortelen en bietjes deed Jacob zelf, want dat was een precies werkje. Er moesten niet teveel en niet te weinig zaden vallen in het spoortje dat de met de hand geduwde zaaimachine trok. Als de zaden waren opgekomen moest Leo ze leren uitdunnen want het waren er altijd wel teveel, waardoor de plantjes anders niet groot genoeg konden groeien. Ook weer kruipwerk maar niet zo zwaar. Dat was anders met de aardappelen. Als die wat opkwamen moesten ze worden aangeaard, zoals dat heette. Dat hield in dat Jacob met een tweewielig duwploegje grond op de planten ging schuiven. Dat was wel zwaar werk want het duwen alleen al was te zwaar voor Jacob, en Leo moest helpen trekken met een dik touw over de schouder, wat aan de beugel van het dubbele ploegje was bevestigd. Beulswerk was het eigenlijk, want je kreeg er een rode schouder van, al had je een vierdubbel gevouwen jute zak onder het touw op je schouder. Enkele andere tuinders hadden daarvoor een mini-trekkertje, op twee kleine wielen. Maar Jacob had er geen geld voor over of wist er geen raad mee en Leo durfde het zijn vader ook niet te vragen, want je moest gehoorzaam zijn aan je ouders, dat was ongeveer de belangrijkste christelijke deugd, en overeenkomend met het vierde gebod: “Eer uw vader en uw moeder”.

 

De week voor Pinksteren was het feest in de familie: de ouders van Margreet waren 50 jaar getrouwd. Er zou een echte “gouden bruiloft“ worden gevierd in het café met zaal in Zuiderdorp. Familie, buren en vrienden werden daarbij uitgenodigd, na natuurlijk eerst een Heilige Mis in de naast de zaal gelegen kerk van de Broeders. In de katechismuslessen  had Leo al heel veel geleerd over het huwelijk, tijdens zijn lagere schooljaren. Zo leerde hij dat God zelf het Huwelijk heeft ingesteld in het aards paradijs en dat Jezus het tot een heilig Sacrament heeft verheven. Door dat sacrament ontvangen man en vrouw genade van bijstand. Door de Heilige Mis, voorafgaand aan de bruiloft werd dit nog eens bevestigd. Ook leerde Leo dat het voornaamste beletsel dat het Huwelijk ongeoorloofd maakt, het verschil van godsdienst tussen een katholiek en een gedoopte niet-katholiek is. In bepaling 362 stond dat het Huwelijk door de dood wordt ontbonden en dat echtscheiding voor de Burgerlijke Wet het Huwelijk niet ontbindt. Opa en oma hadden vast en zeker een eerbare en niet te langdurige verkering gehad, begonnen met toestemming van hun beide ouders, volgens de voorschriften van de kerk. Nu waren ze al 50 jaar in het huwelijk verenigd en werd er feest gevierd.

 

De bruiloft in de zaal van het café was beter te begrijpen. Behalve koffie en gebak en andere dranken werd er ook uitgebreid gegeten, waarna muziek werd gespeeld door een plaatselijk bandje. Daarbij werd ook gedanst. Dat vond Leo wel erg leuk, al was hij nog niet op dansles geweest. Dat mocht pas als je vijftien was. De liedjes van Johnny Jordaan, die erg populair was, werden uit volle borst door alle ooms en tantes en buren luidruchtig meegezongen: “van  je hela hola hupsadiee, bij ons in de Jordaan, waar de bloemen voor de ramen staan” en ook het liedje “M'n wiegie was een stijfselkissie” wasemde een warme wolk van vrolijkheid door de zaal. Onderwijl dacht Leo toch even terug aan de spanningen tussen zijn vader en opa, het ging om geld en steun in de oorlogsjaren, maar nu leek alles pais en vree, gelukkig maar.

 

Later, in juni, hoorde Leo op de radio over Mao, de Chinese leider, die mogelijk een gevaar vormde voor landen in Europa: het communisme was daar nog erger dan in het dichterbij gelegen Rusland. In '56 was daar een “Honderd Bloemen Campagne” geweest, maar nu, nog geen jaar later, was die Mao zo vernederd door commentaar van zijn eigen communisten, dat hij zich van die “reactionairen” liet ontdoen. Dat betekende zoveel als ze opsluiten dan wel laten vermoorden. Ze waren echt niet te vertrouwen, en daarom moesten oudere jongens van het dorp, die achttien werden, onder dienst als soldaat, om ons vaderland te verdedigen. Gelukkig waren er nog veel Amerikanen in Nederland, met veel straaljagers en bommenwerpers in Soesterberg. Zij zouden ons vast helpen als de communisten ons zouden aanvallen.







5. Bagger en ijsbreken

 

November 56 was regenachtig, met een harde zuidwester was het eind van de sloot, waar de motorschuit aangemeerd was aan de schoeiing, weer volgewaaid met kroos en andere drijvende troep. De sloot begon wat ondiep te worden, vooral als de schuit er volbeladen met rode kool, aankwam. Oom Karel wilde zijn dienst aanbieden om de sloot van zijn zwager met een baggerbeugel uit te baggeren. Zo kwam hij aan met het schuitje waarmee ook de inhoud van de beerput van opa en oma werd vervoerd naar het land, voor mest. Met een ijzeren beugel met een net van touw, aan het einde van een lange stok bevestigd, schraapte hij de slappe bagger uit de bodem van de sloot. Die werd dan in de schuit, waarin oom Karel met lange lieslaarzen aan stond, leeggekieperd. Als de schuit bijna vol was, werd ie gevaren naar een laag stuk land, waar de bagger er met een baggerschep weer uitgehoosd werd. Die bagger was ook erg vruchtbaar voor het land.

 

De wc met waterspoeling kwam niet direct op  de sloot uit, maar middels een beerput, waarin het al een eerste vertering onderging. Pas daarna kwam het in de sloot, want er was geen gemeente-riolering. Het vuile waswater van de houten wasmachine in de bijkeuken, moest met de hand  worden geleegd, door het vuile water via een kraantje en gesjouw met emmers in een putje buiten de deur leeg te kiepen. Dat deed Margreet; het was zwaar werk. Als de hulp in de huishouding er was, Lies, dan deed die het. Door de kleine rioolbuis onder de tegels door, kwam het vuile waswater in de beerput. Na een half jaar had zich in de beerput bovenin een harde laag gevormd, waardoor de afvoerbuis naar de sloot was verstopt. Leo verhielp het probleem: hij trok de deksel van de put en ging er met een emmer in om de harde bovenlaag eraf scheppen en die dan in sloot te kiepen. Zo'n beerput hadden ze in Noorderdorp niet gehad, daar ging het rechtstreeks de sloot in. Maar Leo wist er gelukkig raad mee, hij was best handig en nu al bijna veertien, en Jacobs rechterhand.

 

Eind november viel plots de vorst in. Helaas stond er nog rode kool op het land en die moest nog gehaald worden voor de vorst streng zou kunnen worden. Met een groot koolmes moesten de rode kolen van de struik worden gesneden, in een mand gedaan, en dan naar de kant van de sloot worden gesjouwd en in de schuit geladen. Dat was zwaar werk, met laarzen aan en een zeildoeken schort voor. Er lag wel wat ijs op de kolen, maar die konden daar wel tegen, als het maar niet té hard vroor. De tocht naar het land, en met de volle schuit weer terug naar de schuur thuis, ging nog maar net, door het zich al vormende ijs in de sloten, dat steeds dikker werd. Met de volle schuit, de motor op bijna volle kracht, en soms eerst even in de achteruit, om vervolgens met een aanloopje vaart te maken op de inmiddels op elkaar geschoven ijsschotsen. De krakende massa ijs, en het gebonk van de motor met de volbeladen schuit rode kool, maakten een onuitwisbare indruk op Leo, héftig was 't, mánnenwerk.

 

Eenmaal thuis gekomen moesten de rode kolen in de schuur worden gesjouwd en opgestapeld, om bewaard te worden tot de prijzen zouden stijgen om ze dan naar de veiling te laten brengen in een dichte vrachtauto. Want de sloten waren niet meer bevaarbaar, zodat de wintergroenten die de tuinders in hun schuren bewaarden, over de weg naar de groenteveiling moesten. Zo wist Jacob, dankzij de strenge winter goed geld te verdienen, want de prijzen schoten omhoog. Er kon een begin worden gemaakt met het aflossen van de schulden van hun nieuwe huis, schuur en land, zo hoorde Leo.

 

Dankzij de strenge winter, was er niet veel te doen op het land. Maar Leo mocht wel helpen bij het onderhoud van de bewaarproducten, zoals het zogenoemde “keren” van de kool. Met een klein  en scherp  mesje moest je dan, kool voor kool, de buitenste bruine of een beetje rot geworden bladen eraf halen en ook de struik zelf schoon bijsnijden en de kool daarna aan de andere kant waar je stond opnieuw opstapelen. Dat was een secuur werkje, want het verschil tussen teveel en te weinig eraf was een kwestie van inzicht, wat Leo nog moest leren. Jacob legde het hem wel uit, maar wel erg kort en soms wel mopperig en ongeduldig. Leo begreep dat niet goed, want de prijzen waren nu toch goed. Maar veel van zijn vaders gedachten kende hij niet, want Jacob was erg gesloten. Van zijn moeder, Margreet, kreeg hij ook niet veel te horen. Hielden ze iets voor hem verborgen? Ze moesten nu toch wel gelukkig zijn met hun veel grotere huis en schuur dan in Noorderdorp. Maar over geldzaken of andere problemen werd niet gepraat.

 

Dus hielp Leo maar, bij wat er te doen was, zoals bij het houtjes hakken voor het aanmaken van de kachel. De hoge kachel in de woonkeuken werd 's morgens vroeg aangemaakt met turf en kachelhoutjes en dan een oude krant of petroleum erop, en een paar briketten erbij. Daarna met een lucifer de krant aansteken of die gooien op de door petroleum gedrenkte turf, en maar hopen dat ie doorbrandt. Vervolgens konden er eierkolen op, die vanuit de kolenkit in de kachel werden geschept. De kolenkit werd telkens bijgevuld vanuit het kolenhok in de schuur. Af en toe kwam de kolenboer weer een aantal mudzakken vol brengen.

 

In januari werd prinses Beatrix achttien jaar. Ze kreeg een prachtige plezierboot voor haar verjaardag “de Groene Draak”, zo hoorde Leo via de radio. In de krant, het Noord-Hollands Dagblad, stond er ook het een en ander over. Maar Leo had niet veel tijd voor de krant, want vader Jacob las hem eerst. Alleen als vader het nieuwe blad “Boer en tuinder” of “Bloembollencultuur” las, was er voor Leo meer gelegenheid om in de krant te neuzen, maar het mooist vond hij toch de hoorspelen op de radio, of het lezen van een boek, wat ie bijvoorbeeld met Sinterklaas had gekregen. Hij las in de wintermaanden een boek over Lapland, waar een jongen zijn vader moest helpen bij diens rendierkudde. Het was daar erg koud, het boek paste wonderwel bij zijn ervaringen met het koude ijs in de motorschuit en op het land, maar dan weer heel anders.

 

In februari '57 waren veel ouderen blij, omdat ze voor het eerst eind januari AOW hadden gehad van minister Drees. Ook zijn opa en oma in Zuiderdorp waren oud en blij: zo hoefde je niet meer zo bang te zijn voor de oude dag, vooral als je weinig geld had kunnen verdienen of als iemand al vroeg weduwe of weduwnaar was geworden. Oma deed soms wel aan “goede werken”, maar nu werd er meer gedaan door het armbestuur van de parochie van de kerk van de Broeders. In de kerk werd altijd gebeden voor de zieken en de armen, maar het geld van Drees was voor velen een uitkomst, zo stond in de krant.

 

De plannen voor nieuwe dijken en dammen in Zeeland kregen ook vastere vorm, een zogenaamd Deltaplan werd ontwikkeld, om te voorkomen dat een watersnood als in 1953 weer voor zou kunnen komen. Bidden in de kerk was kennelijk niet voldoende om rampen af te wenden, en iedereen herinnerde zich nog heel goed de inzamelingsacties voor dekens en kleding en het uitlenen van de grote motorschuiten voor het redden van de mensen in Zeeland.

 

 








4. Het wordt kouder en onrustig.

 

In oktober 1956 moesten de bollen worden geplant, voor Leo de eerste ervaring hiermee. Jacob spitte een zogenoemd bed open, harkte het vlak, en trok er dwarsover regeltjes in. Leo moest dan op de knieën vanuit een houten bak de op te planten tulpenbollen in de regeltjes leggen, op bepaalde afstand van elkaar, al naar  gelang de grootte. Daarna gooide Jacob het zogenaamde bed weer dicht met de aarde die hij uitspitte voor het volgende bed ernaast. Vooral 's morgens vroeg kon het aan de grond al wat vriezen: dat was best wennen voor de schriele jonge handen van Leo.

 

Twee en een halve dag in de week ging hij naar de tuinbouwschool.  Zo kwam daar ook kapelaan Rood voor godsdienstles. Op een keer ging het over volwassenwording, waarbij de verplichtingen vanuit de kerk werden benadrukt. Maar de kapelaan bracht het niet al te zwaar. Het ging daarbij ook over seks, wat volgens de kapelaan lekker was, omdat God daarmee de verzorging van nageslacht had bedoeld. Als je oud genoeg was kon je trouwen en dan mocht je het met alle plezier doen!

 

Maar er was op school wel een incident geweest in de klas over “rijpheid”, want een leerling in de rij naast Leo had tijdens de les eens zitten giechelen naar klasgenoten, terwijl zijn broek in de buurt van zijn kruis wat op en neer ging. De meester had het in de gaten gekregen, liep rood aan van woede en gaf de leerling een hardhandige schrobbering. Verder werd er in de klas zelf niet over gepraat, maar in de pauze zag Leo het vriendengroepje van de klasgenoot, met onderdrukt gelach napraten.

 

In de middagpauze gingen de leerlingen soms een stukje het dorp in, naar de plaatselijke bakker, om daar wat snoep of ander lekkers te kopen. Dat was pal tegenover de kerk, waar vanaf het voorplein een ernstig heiligenbeeld toekeek. Maar Leo was daar soms heel niet bij: hij bleef vaak in de pauzeruimte over, om nog wat huiswerk door te nemen of wat te lezen. Leo was serieus en leergierig en hij moest niet zoveel hebben van de soms wat platte en amicale praatjes van de minder bekende klasgenoten uit andere dorpen.

 

's Avonds thuis deed Leo huiswerk, las wat of luisterde naar de radio. Op een avond luisterde Leo naar  een serie-hoorspel waardoor hij erg was geboeid. Jacob zette de radio ineens op de muziekzender Radio Luxemburg, terwijl Leo juist gespannen zat te luisteren naar een hoorspel over onder meer ruimtewezens. Leo durfde niet te protesteren tegen het plotselinge afbreken, want je moest gehoorzaam zijn aan je ouders, en de ene radio in huis was in de eerste plaats voor je ouders. Toch voelde Leo het als een stoot in zijn maag dat het verhaal ineens werd afgekapt, maar ja, wat kon hij anders?

 

Door diezelfde radio hoorden ze ook over de Hongaarse opstand tegen de communisten. Van 23 oktober tot 10 november was het ernstig, want Russische tanks schoten op burgers in Boedapest. Een Hongaarse Kardinaal, Mindszenty, vluchtte de Amerikaanse ambassade in en verzocht de katholieken in de hele wereld voor zijn land te bidden. De kerk was eind oktober/begin november dan ook duidelijk voller dan anders: niet alleen voor de Hongaren werd gebeden, ook de eigen geschiedenis van de oorlogsjaren, nog maar elf jaar geleden, ging weer opspelen. Zouden de Amerikanen nu ook in actie komen? Zou er dan mogelijk een derde wereldoorlog kunnen uitbreken? Terwijl zowel de Russen als de Amerikanen nu beschikten over veel krachtiger atoombommen dan die in Japan waren gebruikt. Wie zou zijn leven nog veilig zijn?

 

En weer sloegen mensen aan het hamsteren, want in Egypte, bij het Suez-kanaal, was het ook al oorlog geworden. Op 29 oktober vielen  Israëlische straaljagers Egypte aan, gevolgd door Engeland en Frankrijk. De Russen, bij monde van Chroestsjov, dreigden met het sturen van Russische “vrijwilligers” als de Engelsen en de Fransen de Kanaalzone zouden binnenvallen.  Maar de Verenigde Staten steunden Engeland en Frankrijk niet. Het zou neerkomen op een nieuw soort kolonialisme, terwijl de Amerikanen daar juist in principe tegen waren. En het eventueel ingrijpen tegen Russische tanks in Boedapest  vormde volgens de Amerikanen een risico op een atoomoorlog met Rusland, waarbij de gevolgen van een oorlog met Rusland nog veel verschrikkelijker zouden zijn. Vooral de Amerikanen hadden gezien wat de moderne atoombommen voor een vernietigende werking hadden gehad in Japan, en ook de Russen beschikten nu over die wapens.

 

Het bleef in Nederland bij bidden in de oktobermaand en begin november. Voor de katholieke Hongaren bleef als vertroosting het gebed als bijvoorbeeld uit de gebeden van “de zeven smarten van Maria” : “Met tranen in haar ogen/ Stond de Moeder / diep bewogen/ Bij het kruis/ waar Jezus hing./ Hem aanschouwend in zijn smarte/ Voelde zij hoe haar door 't harte/ 't Felle zwaard der droefheid ging.” Zo weenden de moeders van de omgekomen zonen van de Hongaarse opstand. Er waren ook een aantal Hongaren gevlucht naar het westen. Zij werden met open armen ontvangen onder andere in Nederland. “Losgerukt uit de klauwen der communisten” zoals een krant schreef.

 

Het feest van Allerzielen kreeg zo in de kerk extra gewicht. Niet alleen de eigen doden door ziekte of ouderdom, ook die van de oorlog, elf jaar geleden, en nu van de opstand in Hongarije kregen bij elkaar een loodzwaar gewicht. De angsten voor een derde wereldoorlog met eventueel van die  verschrikkelijke atoombommen, werd in de kerkgebeden doorvoeld. Zo stond er in het kerkboek van Leo onder meer : “Eens zal de grote dag van toorn/ Het heelal tot as verbranden/ Volgens het getuigenis van David en de Sibylle./ Welk een huiver zal er ontstaan/ Als de Rechter komen gaat/ Om alles ernstig te beslissen!/ Een bazuin met wonderlijk geluid/ Zal klinken over de graven aller landen/ En alle mensen voor de troon roepen./ De dood en de natuur zullen verstommen/ Als het schepsel zal verrijzen/ Om antwoord te geven  aan den Rechter.”  Leo was zeer geboeid door die onheilspellende teksten.

 

 






3. Nattigheid in de polder

 

Zo werd het langzamerhand zomer, 1956. Leo had zijn zevende klas moet heel goed gevolg afgemaakt, en zou eigenlijk kunnen “doorleren”. Maar dat kwam niet aan de orde. Z'n vader, Jacob had nu een nieuw en veel groter bedrijf dan in Noorderdorp, met nu wel drie hectare land. Daar waren de helpende handen van Leo hard bij nodig, al was ie pas dertien. Zo werd Leo ingeschreven voor de naburige tuinbouwschool, waar je kon leren hoe groenten en bollen het best konden worden verbouwd. De school zou eind augustus beginnen met in het eerste jaar twee en een halve dag naar school, en de andere dagen, drie en een halve dag, in de praktijk bij vader Jacob. Dan zouden nog drie jaar school volgen met één dag per week les, en kon je je diploma halen. Jacob vond het wel wat veel van het goede, want hij had alles zelf in de praktijk geleerd, vroeger vóór, in en na de oorlog.

 

Bij het begin van de vakantie kon Leo meteen beginnen met aardappels rooien, om vijf uur beginnen, tot zes uur in de avond, met de onderbreking om twaalf uur voor het middageten, thuis, want het land lag nu veel dichterbij dan in Noorderdorp. De polder in Zuiderdorp was veel kleiner, al moest je er wel met de motorschuit naar het land. Dan had je nog om negen uur 's ochtends en om drie uur 's middags een korte pauze om boterhammen te eten en thee te drinken in het kleine schuurtje op het land, een zogenoemd boetje, waar je net in kon zitten met twee tot vier mensen, en waarin je ook kon schuilen als het hard regende en tijdens onweersbuien.

 

Het werd een heel natte zomer. Het aardappels rooien, met het schopje, ging moeizaam, het kostte veel moeite om de aardappels enigszins schoon in de kisten te krijgen, al kruipend over de grond met een zeildoeken broek aan. Die beschermde je wel wat tegen de nattigheid, maar als je opstond bleven de plakken modder aan de knieën van je broek hangen. Nog zwaarder was het als de kisten met 25 kg aardappels erin naar de kant van de sloot moesten worden gereden,  met de kruiwagen. Want aan de kant van de sloot kwam de vrachtvaarder ze met een grotere schuit ophalen om ze naar de groenteveiling te brengen. De kruiwagen was van hout en al had ie wel een luchtband, het was vreselijk zwaar duwen voor Jacob, die er af en toe binnensmonds bij vloekte.

 

De tulpen stonden nog op het vroegere land van Jacob, in Noorderdorp, omdat ze niet al voor de winter op het nieuwe land in Zuiderdorp konden worden opgeplant. Na de aardappels waren de tulpen aan de beurt, maar Leo hoefde niet mee naar dat land in Noorderdorp. Hij mocht zelf met het roeischuitje naar het nieuwe land in Zuiderdorp om er de rest aardappels te rooien en ander werk te doen, zoals schoffelen van onkruid. De drukte was allemaal wel erg veel voor Jacob, en zo was ie een keer vanuit Noorderdorp thuisgebracht want hij was van vermoeidheid in elkaar gezakt. Dankzij  een oplettende oom die in de buurt was, had die geregeld dat Jacob naar huis in Zuiderdorp was gebracht. Het had Margreet om het hart geslagen, maar gelukkig bleek het later niet ernstig.

 

Augustus was de maand waarin de boontjes moesten worden geplukt. Dat was aanmerkelijk lichter werk dan aardappels rooien. Na het plukken moesten de slabonen in een mand in de sloot worden schoongespoeld van de modder, en daarna in kistjes per vijftien kg worden afgewogen op de bascule. Dat is een soort weegapparaat met aan de ene kant het plat waarop je de kist kon zetten, en aan de andere kant van de ijzeren beugel het plankje waarop je de ijzeren gewichten moest zetten, die varieerden van een pond tot twee kilo. Eens in de twee dagen kwam de vrachtvaarder ze weer halen voor de veiling in de buurt: die had een grotere schuit met een gesloten cabine voor de motor.

 

Zo werd het eind augustus, waarop Leo zijn boeken voor de tuinbouwschool moest halen, en ook ging kennismaken met de meester van de school. De school bestond uit twee klaslokalen, en er was ook nog een andere meester die Nederlands zou gaan geven. Verder zou de kapelaan van dat buurdorp ook nog voor godsdienstles op de school komen. Daarvoor kreeg Leo een boek dat “De Blijde Boodschap” heette. Leo moest de boeken kaften met bruin kaftpapier, en er de titel van het boek op schrijven. Maar met “De Blijde Boodschap” wist hij niet goed raad. Zijn vader had vaak gemopperd op de kerk en de schijnheiligheid van mensen die het zo goed wisten. En nu moest hij veel dagen in de week werken met z'n vader en hij wist niet goed of “de Blijde Boodschap” niet de ergernis van zijn vader zou opwekken als zijn oog er per ongeluk op zou vallen, want wat had je daar nou aan op de tuinbouwschool zou die dan misschien zeggen. Jacob hield niet van mooie woorden, en vooral niet, als dat aan geloof was verbonden. De ervaringen met werk en handel hadden Jacob bitter gemaakt, zo had Leo al begrepen: “het draait allemaal om het geld in de wereld”, had hij Margreet eens toegeroepen toen het weer eens over geld en handel ging. Leo voelde wel dat de gelovigheid van zijn moeder daar niet veel aan hielp, al begreep hij niet echt waar ze het over hadden en wat precies de af en toe oplopende spanning tussen zijn ouders opriep. Wat kon Leo anders dan zijn plicht doen en zijn vader zoveel mogelijk helpen met het werk? Leo schreef daarom maar op het kaftpapier van het boek “de B.B.”

 

Leo ging begin september naar de tuinbouwschool, met nog drie andere jongens uit zijn dorp, waaronder Bart. Leo was met Bart al een beetje bevriend geraakt in de zevende klas, en soms kwam ie bij hen thuis. Dat was een nog groter gezin dan bij hen thuis en er waren ook twee jongere zussen. Maar meestal waren Bart en Leo buiten, of in een schuurtje achter hun huis. Daar draaiden ze soms op zondagmiddagen met een toverlantaarn filmpjes, die je met de hand  moest draaien. De jongere kinderen mochten dan kijken als publiek. Het waren stilstaande beelden die elkaar opvolgden over bijvoorbeeld Tijl Uilenspiegel, Micky Mouse en dergelijke. Dat was best spannend in het donker. De zussen van Bart hingen soms uit het raam, wat te giebelen en Leo verbaasde zich over hun vrolijkheid. Heel wat anders dan bij hem thuis waar zijn zus Vera het enige meisje was. Soms kwam er weleens een vriendinnetje, maar vaker gingen jonge kinderen op woensdagmiddag bij de plaatselijke elektricien op de allereerste TV in het dorp kijken. Want zelf moest ie  werken, alle dagen tot van zes tot zes uur, of in de winter 's morgens wat later, pas als het licht was geworden.








2. Paasbelofte?

 

Het was de Goede Week, de week van Jezus'  lijden en opstanding. Behalve de verhuizing en het wennen aan het nieuwe huis, ging Leo met zijn ouders naar de vieringen in de RK Kerk, op Witte Donderdag, Goede Vrijdag en op eerste en tweede Paasdag. Het was eigenlijk wel erg  prachtig: het Tantum Ergo op Witte Donderdag, bij de processie in de  kerk van de Broeders van de Blijde Boodschap, had prachtig geklonken, alle gelovigen zongen het uit volle borst mee. En dan het mysterieuze Latijn daarbij: “Genitóri, Genitóque, Laus et Jubilátio,” een jubellied! Dat paste nou echt bij hun nieuwe huis dat zo fantastisch groter was dan in Noorderdorp.

 

Goede Vrijdag was echter wel weer heel anders: er moest weer hard gebeden worden: “Orémus” klonk het dan uit de mond van de priester, en “Flectámus génua” wat betekent : “buigen wij de knieën”, terwijl de hele menigte gelovigen dan op de knieën zeeg, waarna weer de oproep klonk om op te gaan staan: “Leváte”, en dat verschillende keren na elkaar. Indrukwekkend en overtuigend, zo kwam het Leo over. Ook het verhaal van het verraad van Judas, en de kruisiging van Jezus maakte weer diepe indruk.

 

Gelukkig kwam daarna Paaszaterdag, waarop de klokken weer mochten luiden, en met Pasen, alle drie de klokken tegelijk, het klonk het fantastisch over het kleine dorp. Zelfs de kraaien in de hoge populieren bij de kerk deden hun best, maar het heftige gekras was wel wat naar, want vlakbij was het kerkhof, waar ook een lijdende Jezus aan het kruis hing, en waar onlangs nog twee verongelukte dorpsgenoten waren begraven. Ze waren in dichte mist het kanaal ingereden met hun kleine auto, hadden er niet uit kunnen komen  en waren verdronken. Zo lag er toch ook een schaduw over het paasfeest.

 

De eerste paasdag waren opa en opoe op bezoek geweest, met ook oom Karel. Ze hadden het huis bewonderd en waren erg tevreden. Er was 's middag koffie en gebak geweest en ze zaten in de nette voorkamer rond de hoge tafel met een mooi donkerrood kleed erover. De mooiste porseleinen kopjes en gebakschoteltjes waren gebruikt en het was een gezellig geklets, tot politiek en het geloof een twistpunt werden. Zo haalde oom Karel aan dat de nieuwe leider van Rusland, het land van de communisten, dat die Chroesjtsjof  eindelijk de moordzuchtige en afvallige Stalin aan de kaak had gesteld op een partijcongres van de communisten. Er ontstond heftige discussie over de vraag of bekering misschien mogelijk was, waarbij het ook over de oorlog ging en het verraad, toen in Noorderdorp.

 

De volgende dag, tweede paasdag, gingen ze op hun beurt op bezoek bij opa en oma, het was maar een kwartiertje lopen. Daar was het weer thee, koffie en gebak, en koekjes voor de kinderen. In de keuken, vlakbij het fornuis, hing een kalender. Die was van de “Bond zonder Naam”, stond erop. Voor iedere week stond er een spreuk op, en die van deze week was: “Een mening is als een spijker: hoe vaker je erop slaat, hoe vaster die zit”. Laat nou die discussie over de communisten weer oplaaien: moest je het nou aan God overlaten, en bidden, of moest je als het christelijke westen voldoende wapens hebben, en misschien zelfs genoeg atoombommen om het Kwaad af te schrikken. Margreet en haar moeder probeerden de aandacht af te leiden, door het over het mooie voorjaarsweer en het nieuw huis te hebben, maar Jacob bleef zich verzetten en voelde zich in een hoek gedrukt door zijn schoonvader, die al veel wijsheid had vergaard via de spreukenkalender van die “Bond zonder Naam”. Er waren ook radiouitzendingen van, die opa altijd beluisterde, en waarin een bekend RK priester de spreuken en andere geloofszaken uitlegde, en die moest wel gelijk hebben want dat was een man Gods, zoals opa zei.

 

Bij het vertrek weer naar hun eigen huis, leek de deur van opa's huis wel harder dicht te slaan dan anders, of was het gewoon de wind? Leo bleef met de vraag zitten of de woordenwisseling nou echt  ruzie was geweest, en dus zonde, of niet. In de kerk werd altijd veel gebeden om vergeving van onze zonden, en maandelijks biechten was nodig. Maar wat moest je nou biechten en wat voor zonden? Jezus had ons door zijn kruisdood verlost van onze zonden, maar van welke dan  eigenlijk en had het echt geholpen? Iedereen werd geboren met de zogenoemde erfzonde, de schuld van Adam en Eva, omdat die Gods gebod hadden overtreden. Daarom moest iedereen spoedig na de geboorte gedoopt worden, dan werd je kind van God, en zouden later de hemelpoorten voor je opengaan. Bij het Laatste Oordeel, zou je dan aan Gods rechterhand staan en niet naar de hel hoeven. Ook moest je je kerkelijke plichten wel goed vervullen: tenminste iedere zondag naar de kerk, naar de Heilige Mis. Zo stond er in zijn kerkboek: “Schenk, smeken wij, o Heer, aan uw gelovigen genadig vergiffenis en vrede: opdat zij van alle zonden gereinigd worden...”.

 

De week na Pasen moest Leo naar school, de zevende klas. Kennismaken met de nieuwe meester en klasgenoten op de jongensschool. Op een van de achterste banken zat hij samen met een aardige jongen die ook land naast dat van zijn vader had. Dat werd zijn vriend Bart. Later zouden ze samen naar de tuinbouwschool gaan, want hun vaders waren tuinders en je koos dan hetzelfde beroep als je vader, zeker als oudste. Er moest geld verdiend worden en al het werk moest met de hand gebeuren, afgezien van spitten, want daar waren inmiddels machines voor.

 






  1. De aankomst

 

Voorjaar 1956 was het zover: Jacob en Margreet, met hun zoon Leo en de andere kinderen zouden vertrekken naar  hun nieuwe huis en tuinbouwbedrijf in Zuiderdorp. Nadat alle spullen in een grote vrachtauto waren geladen, en Jacob en Leo naast de vrachtrijder in de wagen plaatsnamen, ging het zuidwaarts, naar het beloofde land en huis zoals Leo het voelde. Hij had er al veel over gehoord, en kende Zuiderdorp al wel een beetje van het logeren bij opa en oma, en oom Karel die er woonden. Maar het dorp zelf kende hij nog niet echt, hij zou er naar school moeten, de zevende klas afmaken en daarna naar de tuinbouwschool in een naburig dorp. Dat was zijn bestemming, zoveel was hem wel duidelijk met zijn dertien jaar.

 

Zo ging het in de zware vrachtauto over de smalle wegen, al zwijgend. Het was een hele klus geweest om alles erin te krijgen, en afscheid nemen van het oude buurtje in Noorderdorp was niet gemakkelijk geweest. Met onzekere blikken en een slap gevoel in de benen had Leo afscheid genomen van zijn vriend Henk, van de vertrouwde omgeving en van school. Zou hij in Zuiderdorp weer vrienden krijgen, hoe zou het daar op school zijn en wat wachtte hem van het werk op het land, waar hij komende zomer zeker aardappels moest rooien en ander werk moest doen op het nieuwe land van zijn vader?

 

Vlakbij Zuiderdorp aangekomen ging het bijna mis: de vrachtauto moest plotseling heftig remmen juist bij de smalle brug bij het huis van opa. Er stak plots een kind over de weg, vanachter het busje van de melkboer. Gedempt vloekend remde de vrachtrijder uit alle macht en voorkwam zo een rampzalig ongeluk, maar door het slippen waren ze bijna met de auto de sloot in gereden, want de kant van de weg was daar erg smal. Nog natrillend van de zenuwen wist de chauffeur het rechter voorwiel, dat een stuk in de berm was gezakt, met veel gemanouvreer eruit te krijgen. Zo wist Leo zich nog gered, met 'n klamme hand in die van zijn vader. De chauffeur wees naar het medallion van de de heilige Christoffel die aan de achteruitkijkspiegel hing. Was de redding aan die heilige te danken?

 

Aangekomen bij het nieuwe huis bleken Margreet, Leo's moeder, en Ed, z'n jongere broertje, en de andere kinderen er al te zijn. Die waren vooruit gegaan met een taxi en wat spulletjes. Dat was een hele geruststelling. Het huis had een mooie voordeur met stoep, en een brede tuin. Het had een steile trap naar een grote zolder, waarop de jongens- en de meisjes-slaapkamer waren gemaakt van vers geurend hardboard. Er was er op de zolder een grote schoorsteen, met een ijzeren schuif erin, waardoor ze vroeger worsten konden roken, had Leo van zijn vader begrepen. De wc beneden had waterspoeling, maar de douche in de bijkeuken had alleen koud water.

 

De schuur was fantastisch groot: je kon er wel een klein rondje in fietsen, als tenminste niet alles vol stond met lege bakken en andere spullen. In de hoek van de schuur was een mini-kantoortje dat de vroegere eigenaar daar had gemaakt en dat nu leeg stond. Maar Jacob had niet zoveel administratie, het werd ingericht als kolenhok voor de winter, voor de eierkolen en antraciet, en als opbergplek voor turf en kachelhoutjes en wat gereedschap. De oude hoge kachel uit het  vroegere huis was meegekomen voor verwarming van de woonkeuken. In de nette voorkamer stond een haard, waarin op zondag of met feestdagen kon worden gestookt. In de woonkeuken werd de oude driedelige kookplaat op het elektrisch aangesloten, met daarnaast een koelkast.

 

Met stijgende verbazing en verrassing ontdekten Leo, Ed, zusje Vera  en de twee kleinsten het huis. Dat was nog eens wat anders dan één kamer met bedsteeën! En achter het huis nog een grote tuin, met enkele grote appel- en perenbomen, en elzen langs de slootkant. Deze paasweek was vol verassingen: het nieuwe huis leek wel een godsgeschenk. Had het vele bidden nu geholpen, en de hulp van opa, die veel geld had geleend aan zijn ouders? Dat geld moest later wel worden terugbetaald, als Jacob, met hulp van Leo flink geld zouden verdienen met het verbouwen van aardappels, tulpen en groenten. Maar of Leo zich bij die gedachten nu zo prettig voelde? Een onbestemd gevoel van onzekerheid en tegelijk plicht doortrok hem.

 

Zuiderdorp bleek een stuk kleiner dan Noorderdorp.  Er waren een paar kleine winkels, zoals een bakker met flessen snoep en zoute drop, een slager met eigen slachterij, een kruidenier, een smid en niet te vergeten de kerk, wel groot, maar veel minder mooi dan in Noorderdorp. De jongensschool was nu heel dichtbij, evenals die voor de meisjes. Even  voorbij de school stond de de kerk, met een begraafplaats erachter. De sloten in de polder waren er minder diep, maar naast land voor tuinders waren er verder veel graslanden met enorm veel paardenbloemen. Paradijselijk rustig, zo leek het. Leo dacht aan het verhaal van Adam en Eva, en van de boom van goed en kwaad. De verleidelijke slang die daarin op de loer lag was voor nu een waarschuwing voor de gelovigen begreep Leo. In de kerk werd door de pastoor gewaarschuwd voor nieuwe verleidingen van de wereld. Zielenheil en eeuwig leven kon alleen verdiend worden door deugdzaam en oppassend te leven en je plicht te doen. De Rooms-Katholieke dorpskerk was duidelijk het centrum van dorpsbeleving.









Blog 264 Als het verleden reëler wordt dan het heden (gedicht)

 


Als het verleden reëler wordt dan het heden (gedicht)

Als het verleden

reëler wordt dan het heden,

als de vragen

blijven knagen,

als “wie schoot als laatste”

ons steeds opnieuw

voor vragen plaatste,

als “wie loog het hardst”

nog steeds de tanden knarst,

als “wie gaf de laatste gil”

nog steeds opkomt tegen wil

en dank en de stank

van 't onopgelost verleden

de gedachten blijven smeden

tot 'n grondeloos moeras

waarin 't heden niet meer past,

dan zijn we mateloos verloren,

totdat het heden doorbreekt in ons horen

van wat vandaag ons wèl bepaalt

en niet meer met ons smaalt.

Bij pagina 152 schreef ik: “Is het een verslag, een bespiegeling over “des schrijvers lot” in dit en mogelijk andere gevallen?” Hoofdpersonen zijn aldus heer M., heer H., die hem ondervraagt, de (verdwenen) leraar Jan Landzaat, de leerlingen Laura en Herman van het Spinoza Lyceum in Amsterdam en nog een stel vrienden/ vriendinnen van die leerlingen die vooral in het vakantiehuisje van Laura's ouders in Zeeuws Vlaanderen, het dorpje Terhofstede, bij Retranchment, Sluis en natuurgebied het Zwin liefdesperikelen en drama meemaken.

Blog 262 Wat je allemaal niet deed (gedicht)

 


Wat je allemaal niet deed (gedicht)

Blog 261 Lichtgevende planten (gedicht)

 


Lichtgevende planten (gedicht)

Blog 263 Geachte heer M. (boekbespreking)

 


Geachte heer M. (boekbespreking)

Ik las het boek “Geachte heer M.” van Herman Koch , Ambo/Athos, 2014, 430 bladzijden, en was verrast. Je wordt meegetrokken in een verhaal van de schrijver over een schrijver die een (oude) schrijver, heer M. volgt en gaat ondervragen. Daar komt een heel stuk geschiedenis bij van 40 jaar geleden, maar ook bespiegelingen waarvoor een schrijver kan komen te staan en wat die soms min of meer gedwongen door zijn succes, moet ondergaan.

geplaatst 17-11-2014

Leo Besouw

De oude heer M. word door de heer H. geconfronteerd met het ontstaan en de vormgeving van diens boek “Afrekening”. Gaande weg blijkt M. getroebleerd, ook met getroebleerde ouders, een moeder die... en vroeg overleed, in de oorlog, een vader die … aan de verkeerde kant (het Oostfront) actief was … een geschiedenis van leerlingen van het Spinoza Lyceum, 40 jaar geleden en de verdwenen leraar Jan Landzaat waar zij bij betrokken waren, 40 jaar terug en wat in het boek van M. ”Afrekening” al of niet juist werd weergegeven.

Maar “Afrekening” is meer dan een mogelijk onjuiste roman, iets wat ontbreekt wordt via omwegen als een vechtpartij na afloop van het Boekenbal, in de Schouwburg uitgevochten of ontdekt. Het thema van het bal was “Verzet toen en nu” . De oorlog van toen, waarbij de vader van M. een dubieuze rol speelde vormt er het smeulende lontje. Zo worden zowel “des schrijvers wereld” als “het verzet” zowel van sarcasme als van emotie en woede voorzien.

Wat je allemaal niet deed

is niet te vertellen,

vooral leugenaars hebben

het er moeilijk mee:

uit de zee van wat

werkelijk is, was, wordt

en zou zijn gedaan,

indien de omstandigheden

net iets anders

zouden zijn geweest,

of mogelijk zouden

zijn geworden,

schept het een oneindig

aantal mogelijkheden

zodat je er zelfs

als leugenaar

maar beter

niet aan

kunt beginnen,

of niet soms?

Wat is nu de moraal

van dit verhaal:

haargroei òf kaal?

Leo Besouw

Lichtgevende planten

in Ede weten ze van wanten

zo meldden de kranten

die het niet verzonnen:

in Wageningen begonnen,

werden waterplanten stroombronnen:

door de uitscheiding

van hun wortels

en bacteriën als mini-tortels

zweten zij hun stroom uit,

en opgevangen door

een elektrode

zorgt Plant-e

voor een ode

aan techniek

zoals je die alleen

in Ede-Wageningen ziet!

“Haargroei”

geplaatst 14-11-2014

'k zou zeggen:

laat het in het midden:

geen koppie ook forbidden!

Blog 260 "Haargroei" (gedicht)

“Haargroei”

woei mij toe,

want kaal zoals een koe

wil niemand zijn

en zelfs de wolligheid

van een konijn

kan meestens niet

voldoende zijn

voor ons gevoel

zoals het hoort,

al zijn er ook

die het tòch niet stoort

een kop zo kaal

als een glimmende bokaal:

de meesten laten 't

liever wuiven,

of ietsje strakker

zoals de vetkuiven.

Blog 259 Wegduiken? (gedicht)

 


Wegduiken?

Wegduiken in een boek

is dat wat ik zoek

of duik ik liever weg

voor lastige vragen

die mijn ziel niet behagen,

duik ik weg voor geluk

of mijd ik de druk

van een bezwarende liefde

die de fundamenten

van mijn ziel doorkliefde

zonder te willen

wat me overkwam,

zonder drank uit de kan,

zonder te weten

hoe het te meten

op waarde voor mijn

bestaan op deez' aarde?

Leo Besouw

Blog 258 Bed, bad en brood (gedicht)

 


Bed, bad en brood (gedicht)

Geplaatst 2014-10-30

Bed, bad en brood

voor ieder op deez' aardkloot

zo sprak de Sint

die ieder kind

verwent, maar soms teveel,

want in mijn keel

krijg ik 't benauwd,

lezend: “illegaal wordt uitgekauwd“

en doorgehaald zijn recht

op bed en bad en brood

volgens 't internationale recht,

door 's lands autoriteiten niet,

die deze dan liever op straat ziet,

onder de eiken, die nog niet

zijn verzaagd tot bedden

die levens kunnen redden.

Bed, bad en brood:

dump ons humane erfgoed

niet in de sloot:

Europese kerken werken

aan deze humaniteit:

nu nog de overheid,

als zij zich niet vervreemdt

van 't bindend lot

voor mens en God

in riet en beemd...

Maar uiteindelijk komt

't mes,

of je valt van je stok

om half zes

of iets later,

de kater is voor wie

je 't meest na stond:

einde aan je gekakel:

het wàs een mirakel,

alleen de dood

die ieder verdroot

kwam alzo wat later:

zij/hij ruste in vrede

en wordt vroeger of later

als velen vergeten...

Gebruik het zwaard

onder ede,

maar voor welke god

of gevaar, was het

maar klaar

wat we ermee zouden

bereiken in godsnaam

of andere (hemelse?) rijken.

Wie geeft ons raad

vóór de daad,

vóór 't “te laat”

en 't kwaad is geschied?

Leo Besouw

Nostalgie als relikwie:

we houden stand

in 't veranderende land,

waarvan we dachten

dat geen krachten

zouden bestaan

die het ooit zouden

kunnen doen vergaan.

Leo Besouw

Leo Besouw

Leo Besouw

Hoor je me koeren?

Leo Besouw

Leo Besouw

Leo Besouw

Leo Besouw

Wat is hulp en wat is love,

ik prakkiseer me suf,

want van 't kabinet

is participatie het gevolg

van een goede-buur-relatie;

wie lost dit voor me op

want het beleid heeft staart noch kop

en daar zit ik nou mee,

met m'n koortsige kop!

Leo Besouw

Leo Besouw

geplaatst 2014-10-24

Blog 257 Participatiesamenleving (gedicht)

 


Participatiesamenleving (gedicht)

Er beving mij een koorts:

hij gaat met de buurvrouw

eten en wat meer

wil je weten:

doet ze zijn was,

strikt hij zijn das

voor 't gevlei of hoort het

er gewoon bij:

hij loopt ook al met haar tas

en onkruid te wieden in haar gras,

zaait haar de boontjes in

en snijdt de kroppen sla;

wat hebben ze in de zin,

is het liefde of participatie,

ik ben totaal uit concentratie!

Blog 256 Kakelende kip (gedicht)

 


Kakelende kip (gedicht)

Een kakelende kip

begon ooit als kuiken

voordat zijn/haar talenten

konden ontluiken:

eerst zachtjes in het koor

van beginnelingen

leren zingen, of wat erop lijkt,

daarna het geëigende pad:

van ieder leer je wat

en met de jaren kun je

kennis vergaren

van hoe te bespelen

de eerste viool,

hoe op te klimmen

in 't presteren

van 't kakelen

als grote heren

of ook wel dames.

Leo Besouw

Blog 255 Zwaard (gedicht)

 


Zwaard (gedicht)

Steek het zwaard in uw schede

zegt de rede

en misschien de bijbel,

maar wat als ik twijfel,

als ik me voel bedreigd

en – van nature – geneigd

ben om 't kwaad af te weren

met vuisten of speren,

spijt wat filosofen

mij misschien leren?

Blog 254 Eindelijk oorlog (boekbespreking)

 


Eindelijk oorlog (boekbespreking)

Het boek van Herman Koch “Eindelijk oorlog” sprak me aan door de titel en de achterflap. Ik ben zelf een kind in die oorlog geboren. En dan zoek je, en blijf je zoeken, soms. Zijn boekje van 172 bladzijden is zo'n soort zoektocht, maar ook een teruggaan in de familiegeschiedenis, al is het een roman (2014 uitgeverij Ambo/Anthos, eerder uitgegeven in 1996 bij uitgeverij Meulenhof).

In het huis van zijn tante is Herman ook geboren en in een wieg gelegd bestaande uit een mand die bij een dropping door de geallieerden was gebruikt. Zijn moeder was de zus van Mies en het was grootouders huis. Maar Mies vertelt niet alles, blijkt later, terwijl de aftakeling van Mies mooi wordt beschreven, en ook de benauwdheid van de wijk voor een “buitenstaander”. Net voor de dood van Mies vraagt die aan Herman of hij tijdelijk voor de teckel wil zorgen. Het hondje blijkt later een hoofdrol te spelen bij de ontknoping.

Het geheim van de ontknoping ga ik niet verklappen, maar de spanning blijft er tot het eind in. Het is een mooi beschreven familieverhaal, waar een verborgen waarheid uiteindelijk helder wordt en een verklaring biedt. Maar voor vriendin A. is het dan inmiddels te laat, en Herman deelt haar niet alles mee, maar slechts de schijn. Zo gaat dat soms in families, denk ik, ook echt. Bij elkaar een mooi en vlot beschreven verhaal, je voelt je er bijna bij aanwezig (denk ik, zeker als je dat stukje Arnhem kent). De titel lijkt je aanvankelijk op het “verkeerde spoor” te zetten, maar zeker voor wie Arnhem (en de oorlog) een beetje kent: aanbevolen!

Hoe fool is mindful

als je voor wandelen

in mindfulness evenveel betaalt

als een pondje amandelen,

als je mindful gaat mediteren

welke heren je 't best

kunt dienen en de rest

vult dan de Heere

mogelijk zelf wel in?

Vervolg van de bespreking van “Het puttertje” , door Donna Tartt, De Bezige Bij 2013, Amsterdam. (Voor de bladzijden ervoor: zie eerdere blogs in deze rij).

Op naar deel V, de ontknoping!? Spannend! (pagina 775-925): Inmiddels is het bijna het einde van het verlovingsfeest, en Boris smeekt/ sleept zijn vriend Theo bijna in het vliegtuig naar Amsterdam. Daar vinden zeer tumultueuze ontwikkelingen plaats: Theo en Boris raken in een beknellend spoor van louche en misdadige kunsthandelaren. Het boek wordt even een ware detective met vuurwapengeweld en spanning in hartje Amsterdam. Er is ook spanning tussen Theo en Boris over de aanpak (slim en doordacht, of ook improviserend) zowel als de passende moraal: wat is zelfverdediging?

Blog 251 Doorgeslagen Appel (gedicht)

 


Doorgeslagen Appel (gedicht)

Is dit nieuwe ambacht

dat waarop de wereld wacht,

wetenschappelijk al bewezen

dat 't verdoolden kan genezen,

zeker prettig voor 't gevoel,

beter dan 't radeloos gewoel

van doorgedraaide dromen

en gedachten die aanzetten

tot verkrachten van je eigen

blije ziel?

Na een bizarre ontknoping met zelfs een fraaie uitkomst, blijken zowel Theo als Boris eenzelfde “donkere zijde” te hebben. Wat doe je ermee als oorspronkelijke hartsvrienden? Wederom spannende dialogen en ontwikkelingen. Tegen het einde worden zowel de waarde van kunst en van waarheid en levenslot uitvoerig en zelfs huiveringwekkend weergegeven. Hier komt, naar mijn mening, de schrijfster in de hoofdpersoon van Theo tot een (voorlopig) waarde-standpunt over het mens-zijn in de (soms erg) korte tijd die ons op deze aarde is vergund.

Heb jij ook al de Appel-watch

zeg weet je dat ik er bijna van kots,

want ook de I-Phone

hoort erbij – de nieuwste versie –

zonder dat geen conversie

en dan altijd met dat stel op pad,

in de trein, je car, en in bad:

ik ben het zat

me te laten ringeloren,

zonder dat er niet bij

te mogen horen:

m'n pacemaker begeeft

het bijna van de stress,

zo gaat heel m'n leven

op de fles en blijven

slechts die klonen

die alleen van Appel

kunnen dromen!

Dan het dragen van de zak

van Sinterklaas

wie doet nou zoiets dwaas,

maar Piet die denkt:

de Sint die wenkt

en wil graag uit doen pakken

voor braverikken, zowel

als lastpakken.

De Sint die zegt:

die laat ik niet stikken

in ijdel gepraat

over 't soort zaad

waaruit mijn Piet

is ontsproten,

houdt op met twisten,

anders gaan we naar

de kloten

en kom ik nooit meer

terug, over mijn rug!

Zonder Piet?

De ik-figuur in dit boek, Herman, geboren in 1953 bevindt zich in 1980-1981 in een crisis-verhouding met zijn vriendin A. De gebeurtenissen, problemen daarmee worden beschreven in Polen, in Londen en terug in zijn jeugd in Amsterdam, de Apollolaan en het huis van zijn grootouders in Arnhem, Oranjestraat. In die Oranjestraat woont dan nog zijn ongehuwde tante Mies, die hij als enige familielid nog regelmatig bezoekt.

De vraag of de kennelijke blokkade psychisch of fysiek is, is het spoor door het boek, aan de hand van de geschiedenis van zijn jeugd en de liefde van zijn grootouders in die wijk Lombok, vlakbij de Utrechtse straat en niet ver van Hartenstein. Bij de bezoeken aan zijn tante komt regelmatig het verhaal boven van een noodlottige vluchtpoging met twintig doden en een dood paard dat er twee weken bleef liggen door de oorlogsomstandigheden.

Leo Besouw

Blog 253 Mindful? (gedicht)

 


Mindful? (gedicht)

Mindfulness als de nieuwe mis,

waarin wat mis is wordt hersteld,

wat klemt dan minder knelt,

en dat door de nieuwe

“priester”-held die ons

dat allemaal vertelt?

Leo Besouw

Blog 252 Het puttertje, rest deel IV en deel V (boekbespreking)

 


Het puttertje, rest deel IV en deel V, pagina's 656-925. (boekbespreking)

Vermakelijke ontwikkelingen, in de liefde, in de zaken, in de vriendschap met Boris, de vriend van Theo. De Boris die hem de weg naar “Het puttertje” helpt vinden, dwars door het verlovingsfeest van Theo heen. Vlot en amusant geschreven, met fraaie en spannende dialogen en ontwikkelingen.

Het totaal overziend: een zeer veelzijdig boek, met sterke karakters, zeer goede dialogen, spannend èn diepgaand, zeer goed in de beschrijving van ontwikkelingsfasen van jonge tiener naar volwassen Amerikaan, in een wereld met (nood)lot, drank, drugs, misdaad, liefde en vriendschap. Dubbel en dwars de lange leesweg waard!

Leo Besouw

Leo Besouw

Blog 250 Zonder Piet? (gedicht)

Zonder roe of tak

geen Zwarte Piet-gesmack

ie ie zwart of is ie blauw:

ik hou van jou;

met die veer op je pet

heeft ieder kind pret.

Leo Besouw

Leo Besouw

Blog 249 Het puttertje, deel III en deel deel IV (boekbespreking)

 


Het puttertje, deel III en deel van deel IV (boekbespreking)

Verder lezend in het boek Het puttertje, van Donna Tartt, De Bezige Bij, 2013, zal ik nu kort leesverslag doen van de delen III en een deel van deel IV, pag. 451-656 (van de totaal 925 pagina's van het boek). (Zie eerdere en een volgende blog van mij over het boek).

Theo is in deel III terug bij Hobie, 18 jaar en werkt af en toe in diens antiek-werkplaats. Pipa, het meisje dat ook de aanslag heeft overleefd was er even op bezoek, maar vertrekt weer snel naar een gezondheidsinternaat in Zwitserland, maar ze blijft in zijn hoofd zweven. Theo doet Pre-University-University College in New York en brengt zijn verborgen schilderij “Het puttertje” in een opslaggebouw. Wel mooie beschrijvingen, maar meubeltechnisch wat veel van het goede, naar mijn idee.

Deel IV krijgt wat meer vaart en is omvangrijk. Theo, inmiddels afgestudeerd en acht jaar later, loopt Platt (oudste zoon van de familie Barbour, waar hij het eerst na de aanslag werd opgevangen) tegen het lijf. Hij herneemt het contact met de familie. Intussen probeert hij af te kicken van diverse drugs/ stimulerende middelen. Hij probeert Platt te betrekken bij het afweren van een klant van de antiekzaak van Hobie, Lucius Reeve, die hem wantrouwt wegens een bedrieglijke verkoop. Theo werkt als compagnon in de winkel van zijn vriend Hobie.

Theo heeft zich laten inviteren voor een etentje bij de Barbours. Oude herinneringen worden opgehaald, op een mooie manier. Maar ook raken hij een Kitsey (de dochter van familie) verliefd. Moeder Barbour ziet het helemaal zitten en is voor het eerst weer eens echt blij na de dood van haar man en zoon. Maar de voorbereidingen voor het huwelijk maken Theo nerveus en hij gaat in z'n eentje, met een smoes voor Kitsey, wandelen (in New York). Daar loopt hij bij toeval zijn oude vriend Boris (uit Vegas) tegen het lijf. In een kroeg vertelt Boris over de toestand van hem en de vriendin van zijn (verongelukte) vader, na Theo's vertrek naar New York. Veel ellende en vooral drugshandel, voor Boris met veel “succes”.

In de winkel komt o.a. als vaste klant mevrouw Vogel. Als Pipa eens is langs geweest vraagt zij aan Theo of die het leuk vond dat Pipa weer eens langskwam. Een pijnlijke vraag, want de emotionele liefdes- vriendschaps- en lots-herinneringen doen pijn, want nu “heeft” Pipa vriend Everett ( in Londen)... Mooi en vlot beschreven gevoelens!

Theo krijgt, terwijl hij genoeg krijgt van Boris' verhalen, een lumineus idee en vraagt Boris mee te gaan naar “een verrassing”. Theo laat zich op voorstel van Boris, met diens auto met chauffeur naar de bestemming brengen...

Voor de rest van het verhaal, en mijn bevindingen, zie een volgende blog!

Nu telt men de doden,

verbindt men de wonden,

die wellicht met meer liefde,

voor de waarheid,

voorkomen hadden

kunnen worden?

Blog 248 Been? (gedicht)

 


Been? (gedicht)

Nu de kanonnen zwijgen

rijgen de vragen zich aaneen:

wie zette wie op 't verkeerde been,

wie begon met 'n valselijk verhaal

wie ging met de waarheid aan de haal,

wie beweerde 't gelijk aan z'n zijde,

wie legde de waarheid 'n tikkie om

en legde zo de eerste bom

onder mogelijk begrip

voor gerechtvaardigde verlangens,

voor gerechtigheid,

of voor iets nog heel veel bangers?

Blog 247 De knop omzetten (gedicht)

 


De knop omzetten (gedicht)

De knop omzetten

sprak hij luid

dat is als je je uit

in plaats van maar te zwijgen,

waaraan geen kop of staart

noch kennis valt te rijgen.

De knop moet omgezet

alleen dan wordt het

 - mogelijk – pret of

begrip en vind ik je

weer hip, zoals je was

voordat die plas van ellende

jou – zo leek het –

voorgoed ontstemde.

Het puttertje, deel II (boekbespreking)

Leo Besouw

Blog 246 Het puttertje, deel II (boekbespreking)

Eerder besprak ik mijn leeservaring met het boek “Het puttertje” (van Donna Tartt, 2013, De Bezige Bij, Amsterdam) over deel I (index in het boek is niet aanwezig, dus even bladeren, wat kennelijk de bedoeling is). Nu dan over deel II, de hoofdstukken 5 en 6, de bladzijden 253-446, (van de in totaal 925).

Meeslepend, spannend, zo heb ik het beleefd! Theo (de hoofdpersoon) vertelt verder over zijn reis van New York naar Vegas en terug, “iets” waarvan hij op het eind van deel I al wat laat doorschemeren. Theo, 14 jaar oud, krijgt van Goldie, de portier van z'n ouderlijk huis, de koffer – met erin het schilderijtje Het puttertje – terug en vertrekt van de familie Barbour, waar hij opgevangen was na de dood van zijn moeder, met zijn inmiddels opgedoken pa en diens vriendin Xandra naar Vegas.

Maar dat gaat niet goed: Theo en Boris raken beiden klem en als goede vrienden, die doorheen lief en leed en harde fysieke klappen, tot mishandeling toe, verbonden zijn, komen ze tot: “Ik wil weg... Wil je mee?” Na heel mooi beschreven bindingen door hun vriendschap, komt er toch een splitsing in hun wegen en vertrekt Theo met de Greyhound-bus naar New York (hij is inmiddels 15). Zijn hondje Poptsjik neemt hij mee in de ene tas, Het puttertje in de andere.

Zo zoekt Theo zijn weg, wegvluchtend van de vriendin van zijn vader, Xandra, na het dodelijk ongeluk van zijn vader. Uiteindelijk vindt hij in New York Hobie en Pippa terug waar hij eerder een warme relatie beleefde, vóór zijn gedwongen vertrek. Zo is hij daar in de winter, bijna 2 jaar na de dood van zijn moeder, terug bij af, maar met een twee jaar oudere en herstelde Pippa van zijn leeftijd... Wat gaat er gebeuren na deze enerverende en prachtig beschreven periode in zijn leven? In een volgende blog zal ik verder verslag doen van mijn reis door het boek!

Nostalgie is als een relikwie,

we houden het vast,

een deel van ons

en het geïdealiseerde

verleden, het heden is

te vluchtig, gaat te snel

voorbij en in de rij willen

we staan van vaste waarden

waarin we aardden.

Daar raakt Theo bevriend met Boris, klasgenoot voor sommige uren, 15 jaar, en ze maken beiden een stormachtig jaar mee in Vegas. Boris is ook zonder moeder, van een Poolse, en van een Oekraïense vader, wereldwijs, ex-moslim – was ie voor even – en drinkt vooral bier. Taal, moraal en achtergrond: multi-complex en boeiend. Maar dat geldt bijna evenzeer voor hun vaders: drank, drugs en gokken zijn standaard-ingrediënten in hun levens.

Leo Besouw

Blog 245 Nostalgie (gedicht)

 


Nostalgie (gedicht)

Nostalgie: het voorbijgaan

van de karavaan waarin

we leefden, waarin we

omlijsten onze voorbije tijd

opdat niet de eeuwigheid

ze opvreet of door worm

verteerd niets overlaat

van al wat werd geëerd.

Woorden en zeer,

delicaat kunnen ze zijn

als ze harten kraken

waar ze nimmer

mochten raken.

Leo Besouw

Leo Besouw

Leo Besouw

Blog 244 Zeer (gedicht)

 


Zeer (gedicht)

Woorden doen soms zeer

vooral als het gaat om eer

van moeder of dochter,

van echtgenoot of bedgenoot,

of om betoonde moed

die er ineens niet meer toe doet.

Woorden breken meer

dan gedacht of verwacht,

woorden kunnen hartzeer vermoorden,

woorden kunnen leiden

tot iets ellendigs als scheiden,

woorden kunnen gaten slaan

in vertrouwen waarop

we dachten te kunnen bouwen.

Is er creatief lef in zicht

als er – in zand – een draak

voor je huis ligt,

is er een geest die de draak

steekt met werkelijkheden,

vandaag of in 't verleden,

is er een doek dat bloedt

of lijkt het slechts verf,

is 't creatief versterf

of een mislukt boerenerf,

is de zoom los van de rand

of heeft het hoofd geen enkele tand,

maar slechts grijzig haar,

heeft de viool wel de juiste snaar,

of lijkt ie vals,

lijkt boter slechts room

of is 't dat ik slechts droom

en dans ik een wals?

Leo Besouw

Leo Besouw

Leo Besouw

Leo Besouw

Blog 243 Creatief lef (gedicht)

 


Creatief lef (gedicht)

Blog 242 Het puttertje (boekbespreking)

 


Het puttertje (boekbespreking)

“Een geel vogeltje”, een schilderij “verrassend zwaar voor iets dat zo klein was”. “Hij” wees erop: “haal het daar weg...” De oude man die samen met het meisje Pippa ook in het museum was op het moment van de aanslag, en van wie Theo aanvankelijk dacht dat het misschien haar grootvader was (p. 36). Het gebeurde op 10 april, 14 jaar geleden, Theo zat toen in de tweede klas (V.O.).

Het is de geschiedenis met het museumbezoek, samen met zijn moeder, de ontmoeting met Pippa, het meisje samen met “de oude man”, dan de verschrikkelijke aanslag, echt horror, daarna de voorlopige opname in het gezin Barbour, van schoolvriend Andy, de nieuw ontmoeting met de zwaargewonde Pippa en haar verzorger Hobie, en later met ook zijn pa, Larry en diens nieuwe vriendin, Xandra.

Web van waarheid (gedicht)

Ieder verzint

zijn eigen web

van waarheid, glamour,

eer en moed,

ieder denkend mens

verstout zich tot dit goed,

waarbij 't fout zo ver

als 't kan verdwijnt

in 't opgepoetste zelf

en d'eigen burgermoed.

Blog 240 Sommige lijken (gedicht)

 


Sommige lijken (gedicht)

Blog 239 Dertig seconden (gedicht)

 


Dertig seconden (gedicht)

Sommige lijken zijn niet om aan te zien.

Sommige lijken liggen er vredig bij.

Sommige lijken zijn doden na een goed leven.

Sommige lijken hebben een bezwaard verleden.

Sommigen waren strijders.

Sommigen waren lijders.

Sommigen verdienden het niet.

Sommigen duidden op eeuwig verdriet.

Dertig seconden

volstonden om 298

monden voorgoed te doen zwijgen

het bewustzijn en leven te doen verliezen

in een eindeloze vlucht

naar een onbekend zwart

als door een moorddadige dief getart

in een onverklaarbare nacht

die hun dromen vernielde

en nabestaanden slechts geknield

achterliet voor een onbestaanbaar

geacht lot, oneindig verwijderd

van wet en gebod,

onbegrijpelijk dieper

dan 't besef van een God.

Het is een complex en boeiend verhaal dat aan het eind, als was het een detective, teruggrijpend van 1866 naar 1865, wordt opgelost als in een uiteen gelegde en passende puzzel. Bovenaan op de laatste pagina in een schitterende metafoor weergegeven: “de oude maan in de armen van de jonge maan”.

Derhalve een boek voor de doorzetter, die niet opziet tegen complexe verwevenheden, die uiteindelijk als in een detective en gevoelvol worden opgelost.

Leo Besouw

“Ik droomde over mijn moeder” (p.11) en de ik-figuur gaat terug in de tijd en vertelt over toen, haar dood als een scheidslijn. Dat is het begin van het boek “Het puttertje” van Donna Tartt, 2013, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 925 pagina's. Op dit moment heb ik er deel I van gelezen , dat zijn de hoofdstukken 1 t.e.m. 5, en tot en met pagina 247.

Het is nog maar de start van het verhaal: goed en gevoelvol geschreven, tot pagina 247 spelend in New York. Verpozend en modern, knap in elkaar gezet en vlot lezend. Wat volgt nog? Ik zal er in een latere blog mee verder gaan!

Blog 241 Web van waarheid (gedicht)

Vanwaar dan toch dit weven,

dit geven van een beeld

aan 't zelf en eigen kring

aan eigen grond en ziel

alsof het die van god verving?

Sommigen zijn snel vergeten.

Sommigen blijven knagen aan ons geweten,

zonder gekend eind.

voor eeuwig weggekwijnd.

Blog 238 Al wat schittert (boekbespreking)

 


Al wat schittert (boekbespreking)

“Al wat schittert” van Eleanor Catton, 2014, Ambo/Anthos uitgevers, Amsterdam, 832 bladzijden. Over de eerste 295 pagina's schreef ik in blog 231. Nu volgt de rest van mijn indrukken:

De liefde van een hoer, de doortraptheid van een dame, de schurkachtigheid van een beminde, de belangeloze liefde van een intelligente en naïeve minnaar: zie daar enkele kern-karakters in het boek. Dit alles in een ruig landschap van goudzoekers in het Nieuw-Zeeland van 1865-1866. Intriges, kameraadschap, verwevenheden van belangen en geschiedenissen, in een uitgebreid palet van personages ( voorin het boek staan er 20 genoemd, met hun “verwante huizen”en “verwante invloeden”) vormen de ingrediënten.

Blog 237 Geheim (gedicht)

 


Geheim (gedicht)

Nog enkele opvallend fraaie uitsneden: van pagina 475 tot 486: de verstopte brieven uit de hutkoffer, van Crosby Wells aan zijn halfbroer Alistair Lauderback, gelezen door Moody: een buitengewoon relaas van diepe gevoelens en bijzondere afhankelijkheid in ongelijke posities! En op de pagina's 576 – 579 het gesprek tussen de gevangenispredikant Devlin en Anna: adembenemend mooi!

De zin van het leven is geheim.

Onze banksaldo's zijn geheim.

De wapenindustrie is geheim.

Rosoboron-export (op de Zuidas

in Amsterdam) is geheim.

Luchtdoelraketten zijn geheim.

De hersens van Poetin zijn geheim.

Geheime diensten zijn geheim.

Gevoelige snaar (gedicht)

Lijken zijn niet geheim.

Lijken kun je tellen.

Lijken roepen om verdriet.

Lijken vergeet je niet.

Lijken vormen geen geheim.

Wie ze veroorzaakt blijft

(vaak wel) geheim.

P.S. Lees de Volkskrant van vandaag, 21 juli 2014, pagina 6.

De gevoelige snaar

is als een instrument

dat verraadt wie je werkelijk

bent, niet alleen nu,

maar ook vroeger en later.

Blog 236 Gevoelige snaar (gedicht)

Wat raakt de gevoelige snaar

in jezelf

als je stil bent om elf

uur of later,

was het de onvergeeflijke flater,

was het een vergeten verdriet,

was het ken je me niet

meer of niet langer,

of is het de stem van een zanger

die je doet voelen dat nu

is niet later,

maar vroeger,

toen je als eenzame zwoeger

je weg probeerde te vinden

met nieuwe vrinden,

die je later weer verlieten

als stromend water

van je levensberg

waarop je leerde te praten?

Blog 235 Voetbal WK (gedicht)

 


Voetbal WK (gedicht)

Weet u er ook de ballen van,

van het voetballen dan:

de links buiten

bleek niet te stuiten,

z'n energie van knie

tot kuiten dreef hem voort

en niet gestoord

door een doortrapte

tegenstander vond hij

het doel – heel schrander –

en dreef de bal

met luide knal

in d'rechterbovenhoek:

die ging erin als koek

en kloek hernam hij

steeds erna dezelfde list

uit d'linkerla van zijn

geoefend brein en been

en haalde zo des mensen

eer aan 't eed'le spel der

bal op 't grote veld

weer binnen voor 't team,

en land en volk en voor TV

genoten wij weer weltevree!

Hitler poogde ons te bevrijden

van de communisten,

maar dat was bezijden

de waarheid en met

Rotterdam als doel

viel hij jaren later

op zijn smoel,

nadat het kwaad door hem gesticht

zich als echo tegen hem gericht

beroofde van zijn waanzin-kop.

Leo Besouw

Leo Besouw

Leo Besouw

Blog 234 Lekker moorden en bombarderen (gedicht)

 


Lekker moorden en bombarderen (gedicht)

Lekker moorden en bombarderen

dat is wat de grote heren

graag doen

gemaskeerd door fatsoen:

zo kwam Robert Mc Namara

pas tot inkeer in d'Sahara

waar hij tussen de Bedoeïenen

een potje stond te grienen

om wat z'n bommen

met zoveel gewicht

onder mensen hadden aangericht.

Blog 233 Als de duivel één oog had... (gedicht)

 


Als de duivel één oog had... (gedicht)

Als de duivel één oog had,

dan zouden wij hem herkennen

aan zijn éénzijdige kijk

op de dingen en waarden

die ons omringen,

dan zouden wij hem zien

als een cycloop met één oog,

gelijk Homerus hem zag

als menseneter die ons uitzoog,

dan zouden wij wel twéé keer denken

voor we hem vertrouwen zouden schenken,

dan zouden wij zijn gealarmeerd

vóór de zonde ons had geleerd

dat na die daad komt de val

in een griezelig en bovenmatig

onaards verhit heelal.

Maar zo liep 't niet af:

dankzij 't alziend oog

kwam er toch straf:

negen interlands niet van

zich af mogen bijten:

geen tanden erin mogen zetten:

de FIFA kent andere wetten.

Liverpool bezint zich nu

op mogelijk andere zetten:

een paardenbit zien ze

niet zitten,

een muilkorf als bij een hond

staat ook niet gezond;

wellicht de sportpsycholoog

of houdt ie zichzelf

daarvoor uitnodigend doof?

Leo Besouw

Blog 232 Gebeten... (gedicht)

 


Gebeten... (gedicht)

Ik bad dat hij niet weer zou bijten,

maar driemaal is scheepsrecht

en hij voetbalt niet slecht;

zijn inzet is als haar op de tanden,

heel Uruguay draagt hem op handen

dus stop je kop maar in het zand,

hemd erover: niets aan de hand.

Blog 231 Al wat schittert (boekbespreking)

Ik heb het gewaagd, het boek van Eleanor Catton te kopen en ben aan het lezen begonnen en nu tot bladzijde 295 gekomen, van de in totaal 832. Uitgegeven door Anthos/Amsterdam, 2014. Het is dus een gewicht, maar toch met prettig omslaanbare bladzijden in een mooie druk.

Al wat schittert (boekbespreking)

Het begint met “Bericht aan de lezer” waarin wordt uitgelegd hoe de stellaire en planetaire posities in het boek astronomisch zijn bepaald, waardoor ze “ons vertrouwen in de grenzeloze, wetende invloed van de oneindige hemel” hoopt te bestendigen of op te roepen. Maar laat je daar niet door afschrikken.

Blog 230 Moorden zoals het hoort, (gedicht)

Het is een merkwaardig boek. Geen gemakkelijk boek. Geniaal is het (?). Niet over goud en wat het met mensen doet of deed en toch wel (het speelt in Nieuw Zeeland in 1866). De gedachte aan wat geld (groot geld) tegenwoordig met mensen doet drong zich aan mij op, al speelt het verhaal zich bijna anderhalve eeuw geleden af. Mooi weergegeven karakters, inclusief hun gedachtengangen, hun overwegingen. Ook hun twijfels, hun (mogelijke) complotten, overwegingen wat een eed waard is, wat waarheid (pagina 293), hoe vooroordeel het aflegt tegen empirische feiten, of niet.

Moorden zoals het hoort, (gedicht)

Een mooie beschrijving van een persoon op bladzijde 45 bijvoorbeeld: “Hij was toegeeflijk waar het de open ruimtes in de toekomst van anderen betrof, maar ongeduldig met betrekking tot de afgesloten vertrekken van hun verleden.” Mooi en intelligent taalgebruik, getuigend van (psychologisch) inzicht en genuanceerde feeling.

Een weliswaar complex, maar ook boeiende boek, waar je gaandeweg wordt ingezogen, de personen leert kennen en verder puzzelt als was het een detective. Ik ga ermee verder: nog 537 pagina's te gaan! Wordt te zijner tijd vervolgd!

De zin van alle kwaad zit in 't valse

zaad van totalitaire aard,

waar brokken van tentoongesteld

geweld de mens

bestelen van geldig

menselijke waarden

waarin de duivel

steeds maar niet wil aarden,

wat telkens weer tot

ondergang zal leiden

en kermen in de hel,

zoals profeten steeds al zeiden.

Leo Besouw

Moorden zoals het hoort

dat is wat ons stoort;

het ging niet om een appel

of een ei in 't paradijs,

het ging om gebondenheid of

vrij te zijn

van opgelegd geloof

en inzicht in 't licht

van Gods gebod:

gij zult niet doden

voor om 't even welke noden

of welk gewin.

Blog 229 Een senangerende sport... (gedicht)

 


Een senangerende sport... (gedicht)

Een senangerende sport:

polsstokhoogspringen:

je wrijft je handen in

je pakt hem op – de stok –

je start met rennen,

plaats de punt,

en klimt omhoog,

los van de grond

de stok gekromd

alsof die knapt,

maar wervelend beweegt

je lijf alsof je niets meer weegt,

een laatste spier,

en op een kwart

van 'n millimeter

zweef je, heel even,

en dan weet je 't zeker:

ik heb het gehaald of niet:

het is vreugde of verdriet

en die komt na de val

uit 'n kwart seconde

mateloos en weerbarstig heelal!

Van kruimels van de rijken

genieten op je pad

langs tafeltjes en stoelen,

de ganse dag slechts

weltevreden smoelen

aanzien of ze je ook wat schenken,

en ook al geen probleem

met het toilet: de deur

die past altijd wel in het slot:

mijn dagen kunnen er

echt nooit meer van kapot

en weltevreden vlieg ik

naar 'n volgend plekje:

overal vind ik wel moeiteloos

een super-de-super fantastisch stekje.

Wie 't weet mag 't zeggen,

misschien eerst te dreggen

in ons eigen gevoel,

de missende aannames

in onze eigen stoel,

tellen tot tien en

onszelf eerst van binnen

en buiten beter bezien?

Leo Besouw

Ongevraagd stemadvies van een Europeaan.

Leo Besouw

Leo Besouw

Blog 228 Ik wou... (gedicht)

 


Ik wou... (gedicht)

Ik wou dat ik een duiffie was

dan dronk ik dra

een heel groot glas,

geluk dat kan niet stuk,

niet meer zweten in de bus

door Rome, maar slechts

dromen van fonteinen,

altijd water bij de hand,

geen getob wat in de krant

staat gelogen of bewaarheid,

geen gefoeter over de

verkeerde weg, 't verkeerde pad,

geen mens die doet je wat.

Leo Besouw

Blog 227 Bellen blazen... (gedicht)

 


Bellen blazen... (gedicht)

Bellen blazen...

gedachten door mijn brein

dingen dartelen zoals ze zijn

en gedachten dwalen

naar gedicht op zoek,

het voelen van het malen

doet de dichter goed.

Bellen blazen doet 't verkeren

van de werkelijke daden

in uitspatbare kanalen

van 't dwalend brein,

zoekend soms naar rijm,

maar meer nog naar betekenis

die luchtig langs ons heen glijdt

in de nimmer grijpbare

voltooid verleden tijd,

die voorbijgaat en weer heden is.

Bent u ook wel 's in een

misverstand beland,

hier of in het buitenland,

met Jeugdzorg of in de liefde,

met geruchten die je kop

doorkliefden,

met bank of geld,

de waarheid uitgeteld?

Is er daarvoor een recept

dat mogelijk zelfs levens redt,

te laat niet, als bij Romeo en Julia,

maar voorkomend nare spanning

en verwarring,

voorkomend echtelijke verstarring,

voorkomend dwaas geblaat

en verwijtende praat?

Everybody hurts –

maar sommigen meer dan anderen:

kan een schaap in wolf veranderen,

is wat eens een goed man leek

veranderbaar in een valse streek,

is wie eens solid was als rock

naderhand een valse leugenbok,

kan wit in zwart verkeren,

kan deugd in kwaad verleren

kan waarheid valser blijken,

na verloop van tijd bezwijken

voor everybody's ongelijk,

of is ieder wezenlijk verbonden

met noodzakelijk lot

to devil's onuitroeibare zonden?

Maar of zijn liederen ook

wel kloppen blijft de vraag,

alleen die mooie veren

zullen je misschien wel leren

dat wie mooi zingt

lang zal leven, maar ook

velen kan doen beven

voor wat bleek te zijn onwaar.

4 mei 2014

Leo Besouw

Blog 226 Misverstand (gedicht)

 


Misverstand (gedicht)

Blog 225 Everybody hurts (gedicht)

 


Everybody hurts

Blog 224 Als de kierewiet zingt (gedicht)

 


Als de kierewiet zingt (gedicht)

Als de kierewiet zingt –

boer pas op je kippen,

als de kierewiet zingt –

boer pas op je haan:

heeft ie dan geen mooie kleren,

hij is het die je wel ziet staan:

vol zijn snavel met mooie waar,

beloften ook, gans kant en klaar!

Hoe triest... (gedicht)

Blog 223 Hoe triest... (gedicht)

Hoe triest dat wij allen

zullen sterven,

hoe triest alles te vererven

aan al wie rest

en ook dat lot zal ondergaan.

Blog 222 Fout-herkenning ("cricht")

 


Fout-herkenning (“cricht”)

Voortaan blijft alles toch

hetzelfde: eeuwig leven

is ons slechts ná de dood

gegeven, en dan nog:

wie kan het garanderen:

ieder eindigt zonder kleren

zoals ie kwam: slechts

(levend) vlees – de geest

die kwam en is geweest...

Fout-herkenning:

uw PC hindert:

“ongeldige tekst”

“uw apparaat wordt niet herkend”

“probeer het opnieuw”

“het programma wordt afgesloten”

“foutnummer CG2032”

“zoek in probleemherstel”

“uw wachtwoord komt niet overeen”

“computer herkent uw vraag niet”

“er wordt aan het probleem gewerkt”

“herstel fouten in bestandssysteem”

“raadpleeg de handleiding”

“er is een fout opgetreden”.

Hebt u het nog,

herkent u zich in de trog

van bits en bytes

van storingen en likes,

of moeten we terug

naar het kleitablet

en eenvoudiger pret?

Leo Besouw

Leo Besouw

Leo Besouw

Blog 221 De bron van alle kwaad (gedicht)

 


De bron van alle kwaad (gedicht)

Rotzak

razernij

ravenzwarte duivels

die rieken naar verderf,

een wolf op je erf

die de lammeren verscheurt,

de bliksem die inslaat

in je ziel,

een trap tegen

je achilleshiel,

een peer op je muil,

een kwaadaardige buil

de leugen die je verlamt

gif dat je hersens verdampt,

vals geloof in verkeerde leiders,

toekomst verkracht

door onverwacht, ongeziene

valsheid en geweld:

de mensheid al

eeuwig gekweld...

Blog 220 De vijand van mijn vader (boekbespreking)

 


De vijand van mijn vader (boekbespreking)

Blog 219 Wat komt er uit het oosten? (gedicht)

Dit mij buitengewoon aansprekende en boeiende boek van Almudena Grandes (De vijand van mijn vader, Uitgeverij Signatuur, 2013, 352 pagina's), is het verhaal van Nino, een elf-jarige Spaanse jongen, levend te midden van de Guardia Civil en het “verzet” van strijders in de bergen van Andalusië in de jaren 1947-1949 in de Sierra Sur en het dorpje Fuensanta de Martos.

De jongen ontwikkelt vanaf zijn negende een vriendschap met Pepe el Portugés, een wat eenzame zonderling, die in een verlaten molen, op afstand van het dorp, tussen de partijen in, komt te wonen. Nino's vader is bij de Guardia Civil en het gezin ( moeder Mercedes en z'n jongere zusje Pepica en z'n oudere zus Dulce) woont in de kazerne van de Guardia's (waar zo'n acht man is gelegerd).

In de loop van het verhaal wordt het gezin bijna vermalen tussen de trouw aan de Guardias's uit noodzaak en de sympatie van de moeder en Nino voor het verzet, wat zich geleidelijk ontwikkelt, en waarbij de vader een noodgedwongen moordenaar blijkt te zijn, en de Guardia's soms medogenloos wreed. Hartverscheurend noodlot lijkt te naderen (pagina 308 en verder). Onontkoombare omstandigheden, ook door kleinzielige en door angst gedreven karakters vervlechten zich met moed, trouw en twijfel, verraad en zelfopoffering spelen een gruwelijke rol.

Verraad, marteling, trouw, stommiteiten, dat alles waargenomen door de elf-jarige Nino, in de laatste week van april 1949, in het dorpje Fuensanta de Martos, waar de razzia plaatsvindt, door de Guardia Civil, onder leiding van luitenant Michelín, die wraak nam... (Na de dood van sergeant Miguel Sanchís, die met het verzet, de “communisten”/ republikeinen bleek samen te werken, en zijn leven gaf): bedrog – dood – wraak – aanvaarding van het onvermijdelijke – meer houden van je geliefde dan van jezelf – : groter proza bestaat niet...

Maar ook liefde, zij het verborgen, en ook verliefdheid van de jonge Nino hebben een overtuigende plaats. De zich ontwikkelende vriendschap tussen Pepe en Nino, leidt tot karaktervorming: wie wil jij later zijn, waar kies je echt voor? Dat wordt in het deel IV van het boek, dat 11 jaar later speelt, heel mooi aangegeven.

Dit vlot vertelde verhaal, grotendeels op feiten gebaseerd, zoals in de uitgebreide “Noot van de schrijfster” aan het eind van het boek aangegeven, met zijn krachtige dialogen, heldere situatieschetsen van menselijke (wan)verhoudingen, maar ook van liefde, vriendschap en trouw, door Almudena Grandes, verdient een top-kwalificatie!

Russen en Chinezen leken

ook te dreigen,

wat valt er nog meer

aaneen te rijgen

van mogelijk kwaad

vanuit een vreemde staat

waar wij de talen niet van spreken?

's Mensen bestaan –

immens bijzonder!

Leo Besouw

 


Wat komt er uit het oosten? (gedicht)

Wijzen die het Kind

kwamen troosten –

Hunnen die ons binnenvielen –

Turken voor wie we niet

wilden knielen –

Duitsers met kanonnen,

waaraan waren zij begonnen?

De glans van God gedicht (gedicht)

Wie heeft de glans van God

gezien –

wie bijna dood beleefde –

misschien –

wie wegsmolt in de Mattheus-

Passion –

wie geroerd werd door

de macht van de zon –

en hemel-sterren,

wie oog in oog stond

met z'n grootst geliefde,

wie schuilging voor

wat hij niet beliefde

en redding vond

als door een wonder?

Blog 217 Aan Vladi (gedicht)

 


Aan Vladi (gedicht)

Blog 216 Corrosie (gedicht)

 


Corrosie (gedicht)

Toe Vladi,

gij zijt groot,

doe toch niet

zo idioot

als sommigen

ooit deden,

de waarheid

die de Perzen meden

of de Yankees die

iets zagen in de golven,

het waren echt geen wolven;

trek recht uw gezicht

en laat het lachen,

minder strak als de Apachen,

doe uw ding, maar wel met eer,

haal niet de waarheid neer,

of erger doms en kroms,

geef leugenachtigheid de bons!

Leo Besouw

Bidden, smeken, wapens, allemaal,

wie gaat er met ons hachelijk bestaan

't meest van al aan de haal?

Leo Besouw

Blog 218 De glans van God (gedicht)

Corrosie ontwricht

wat doelmatig gesticht

was of gevormd

met de jaren:

zij sparen ons niet,

verdriet splijt er de ziel

van wat één was

en leek op basalt,

toekomst verknald

door uitzettend emotie,

niemand had notie

van de tand van de tijd

die alles verslijt

in 'n ongemerkt ritme

dat alles voor ons beschikte.

Blog 215 Irritatiegeweld (gedicht)

 


Irritatiegeweld (gedicht)

Wordt u ook zo gekweld

door het irritatiegeweld

van reclame op radio,

tv en computer,

dwaas worden van al dat

getoeter,

van boodschappen in

eindeloze herhaling,

van volstrekt zinloze

maling van woorden

die slechts verstoorden

ons innerlijk gebeuren

van het zijn in het nu, en

het gewilde later,

maar niet in die verdringende

kater van eindeloos repeterend

en zinloos gesnater?

Leo Besouw

Leo Besouw

Blog 214 De mens is een informatiedrager (gedicht)

 


De mens is een informatiedrager (gedicht)

Hel en verdoemenis

en meer zulk gezemel

draagt de mens

in zijn geheugen,

mensen die niet deugden,

helden op vier wielen,

landen die ons overvielen,

koortsen die we droomden,

afvalligen die niet schroomden

God te ontkennen,

vijanden die ons jenden,

vruchten die ons bevielen,

stinkende schlemielen

waarvoor we weken,

goden die we smeekten,

alles in ons meegedragen

in 't geheugen als informatiedrager.

Leo Besouw

Blog 213 Een mooie jonge vrouw (boekenweekgeschenk-leeservaring)

 


Een mooie jonge vrouw (boekenweekgeschenk-leeservaring)

Edward en Ruth, daar draait het om in het boekenweekgeschenk 2014: “Een mooie jonge vrouw” door Tommy Wieringa ( CPNB, 94 bladzijden). Edward, viroloog, 15 jaar ouder dan Ruth, en met tegengestelde opvattingen over het al of niet bestaan van lijden door dieren.

Eigenlijk gaat het niet zozeer over veroudering, zoals in wat recensies geschreven is, maar om het conflict over lijden door dieren en ook mensen, zoals van hun na met veel moeite verkregen baby, vind ik. De “huilbaby” blijkt op pagina 68 de aanstichter tot een pijnlijke verwijdering. Matige verloedering van Edward volgt. Daartussendoor een confrontatie met de verloederde broer van Ruth, als een vooruitkijkspiegel.

Blog 212 De glinstering van God (gedicht)

 


De glinstering van God (gedicht)

Tijdens de zwangerschap beleefde Edward nogal wat vileine geilheid met collega Marjolein, die aan het einde van het boekje mede zijn zwaard van Damocles uittekent. Alles lijkt verloren, maar al fietsend voor zijn laatste college naar de Uithof in Utrecht, volgt de catharsis: de kip uit zijn jeugd voor wie hij mislukt zorgde komt weer in zijn gedachten en brengt hem tot het besef van een ontwikkelde “Anesthesia dolorosa”: pijnlijke gevoelloosheid, die hij voor zijn studenten opbiecht.

Dan is het boekje plots afgelopen, wat abrupt, voor mijn gevoel. Hoe ging het verder met Ruth en met hun kind, met zijn zwager en hemzelf. Dat blijft onbeantwoord. Een mooi geschreven boekje, intelligent, soms iets stijfjes, maar zeker het lezen waard.

Leo Besouw

Blog 211 Selfie... (gedicht)

 


Selfie... (gedicht)

Heb je ook al een selfie,

of ben je geen elfie,

zit je neus niet geheel recht,

je oor niet goed aangehecht,

je haar wat minder van kleur,

de scheur van je mond

niet zo geweldig afgerond,

te veel sproeten misschien

of een vlek op de wang,

ongelijk van vorm,

trek het je niet an:

volmaakt een selfie:

Je kunt lang erop wachten,

proberen kan ook,

wegwerken de vlekken,

plastisch chirurgeren,

iets andere kleren,

maar wat doen ze er nou mee

met zo'n zee van meer

of minder moois:

Neem de klokkenluider

van de Notre-Dame,

die kon er wat van,

hij heeft de beste selfie

ooit genoemd en bleef

dankzij zijn bochel

toch eeuwig beroemd!

Leo Besouw

Blog 210 Beeldvorming (gedicht)

 


Beeldvorming. (gedicht)

Beeldvorming

biedt brute leiders

banale middelen die

benevelend de

bevolking verleiden om

bevallig te blijven aan de

bewonderenswaardige

brutaliteit van het eigen gelijk;

behalve dat

brengt de bestuurde

beeldvorming bevordering van het

brave burgers gevoel waarop het

brandend verlangen van de

bezorgde moederstaat

buitengewoon en brisant zal

beklijven in de aard van het

bedoelde beeld van de

bepaalde vader-leider van die

betreffende moeder-staat.

Leo Besouw

blog 209 Maak je geen zorgen... (gedicht)

 


Maak je geen zorgen... (gedicht)

Maak je geen zorgen –

want alles gaat voorbij:

de Tai Mahal – de Borobudur

de duvel en z'n malle moer,

de Egyptische piramides

óók, da's nogal wiedes

en het Oval Office van Obama

niet uitgezonderd van het drama,

of het Kremlin van Poetin,

't krijgt ook al niet zijn zin.

De tunnel onder de Bosporus

of onder Het Kanaal:

de tijd achterhaalt

het allemaal,

en voor ons begrip –

kijk nu maar niet zo sip –

en in ons levensoog

houden we het niet lang droog:

iedere dag kent winst èn verlies

en dat is nou precies

wat ons in 't kortstondige bestaan ontgaat:

te laat is slechts beperkt van staat

en van betekenis

en wat dan wijsheid is,

en breed begrip,

verdwijnt weldra als stip

aan de oneindige horizon

van kommervolle tijd,

waarop de mens

nooit echt de grip krijgt.

Leo Besouw

blog 208 Mijn vader was... (gedicht)

 


Mijn vader was... (gedicht)

Mijn vader was...

een stekelbaarzenkweker,

ik weet nu zeker

dat het hem voor veel behoedde

zoals ik eerder al vermoedde:

hij deed zijn plicht

en gaf de baarzen

licht en voer, en sprak ze toe:

zwemmen maar,

je weet wel hoe!

Straks zal ik je verpatsen

aan de bieders van de beste prijs

want al zijn er dan ook velen

niet zo heel erg wijs,

de beste prijs is mijn bewijs

van vakmanschap,

dus zet je schrap!

Bezoekers dus die

ze dan kochten

wrongen zich in honderd bochten

voor hun moeders thuis:

wat haal jij nou toch in huis

voor zo'n belachelijke prijs,

je bent ook echt niet heel goed wijs!

Leo Besouw

blog 207 Het belang van een onderkin en een decolleté (gedicht)

 


Het belang van een onderkin en een decolleté (gedicht)

Met een onderkin en een decolleté

kun je je onderscheiden,

al te grote vlakheid vermijden,

en van bezijden gezien

is je profiel misschien

wat minder flatteus,

maar ook de neus

doet er dan meer toe

en een waarheid als een koe

vertelt ons hoe de neus

zeker niet alles bepaalt,

maar wie hem niet schendt

redt zijn aangezicht

en komt met onderkin

en decolleté nog best

aan 'n vent en wordt

als talent zeker herkend!

Leo Besouw

blog 206 PTSS (gedicht)

 


PTSS (gedicht)

Sleutels der herinnering

sleutels tot het oerbegin

van al wat trauma lijkt

wat PTSS van gezondheid scheidt:

de sleutel ligt in 't diep gevoel

van wat over de rand schoot:

het aangezicht van dood en verderf

van mishandeling en kerf

in wat van waarde is op aarde,

in wat geluk leek en verstoord

op wrede wijze als in een oord

waar slechts de duivels

botten kluiven en rood in 't vuur

van bloed en doodgeslagen haren

in nooit vergaande jaren

't gruwelijkst onheil

blijven baren.

Leo Besouw

blog 205 Daar begint de poëzie (bundelbespreking)

 


Daar begint de poëzie. (bundelbespreking)

De bundel van De 100 beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd 2013 met de titel “Daar begint de poëzie” heb ik doorgenomen en riep bij mij de vraag op wat is begin en wat is voldragen? Er bestaan geen chronometers om de uitslag van de “wedstrijd” te bepalen. Het loopt dan ook van cryptische teksten tot melodische expressies van waarnemingen en gevoelens. De 124 bladzijden bijeengebracht door uitgeverij Van Gennep, 2014 riepen dan ook bij mij gemengde gevoelens en waarderingen op.

“Stilte” van Erwin Steyaert: uniek van beeld- en betekenisgebruik, je ervaart een ruimte die je vol maakt, prachtig!

“Leiezicht”van Eddy Vaernewyck: mooi omfloerst beeldgebruik, ruimte scheppend met met diepte naar “het geraas van een werkweek”.

“Babel Nu” van Aad van der Waal: mooie en scherpe contrastwerking in een ritmisch en melodisch geheel. Geëngageerd en hulpeloos doorvoelend. Een nagenoeg perfect sonnet.

“The beginner's guide to irrational behavior” van Jan-Paul Rosenberg: een zeer cryptische triptiek van drie delen met rake beelden, maar vooral bij het derde deel prachtig en symbolisch eindigend: “..., dartelend van bron/ tot bron spant onze huid doorzichtig om/ het ijle oog van onze gastheer, onze zon.“ Buitengewoon!

Ik ga dan ook geen uitgebreide waarderingen geven, maar wel enkel een viertal gedichten noemen, die volgens mij bovenaan gezet zouden mogen worden:

Het blijft een zoeken naar betekenissen en ervaren. De trend van de tijd en persoonlijke smaak spelen er altijd een niet te digitaliseren rol: chronometers voor deze bestaan – gelukkig – niet. Veel plezier met het wandelen door dit woud van honderd geselecteerde bomen in het Bos der Poëzie!

Leo Besouw

Ook gegrepen door verhalen over de oorlog, de jaren 40 en 50 van de vorige eeuw? Dan is mijn boek(je) misschien iets voor u.

Van oktober 2009 tot februari 2010 heb  ik bronnenondezoek gedaan over mijn geboortestreek/ -plaats. Zo dook ik in het Westfries Archief, vroeg info aan bij wat nu de gemeente Medemblik heet  en informeerde bij Piet Koomen van de werkgroep Oud-Wervershoof.

"Oorlog en vrede 50 jaar bevrijding Zwaagdijk" en "60 jaar geleden Engels bommenwerper te Zwaagdijk-Oost neergestort en oprichting nieuw monument" (13 juni 2001) boden een startpunt. Verder de bronnen van werkgroep Oud-Wervershoof, info over de hongerwinter in West-Friesland, "Het jaren 50 boek" en de "Canon van Westfriesland" waren zo een aantal bronnen voor de historische gebeurtenissen in die omgeving. Ook de tv-serie over de Tweede Wereldoorlog, door Rob Trip (NPS) bood aanknopingspunten.

Omdat ik persoonlijk ervaren gebeurtenissen bij benadering wilde beschrijven in een vrije vorm, heb ik de romanvorm gekozen, ook met de nasleep van de oorlog. Een beeld van die tijd wilde ik geven, in beknopte vorm, aan de hand van een familiegeschiedenis.

In het voorjaar van 2010 schreef ik het verhaal, en een jaar later kwam het boekje uit. Het werd onder meer door Biblion goed ontvangen. De roman "Noorderdorp" , is uitgegeven door Aspekt, beslaat 94 pagina's en gaat over de geschiedenis van een familie in een plattelandsdorp van 1940 - 1956, grootdeels gegrond op wat toen in die omgeving is gebeurd (Kop van Noord-Holland/ West-Friesland) en deels fictie.

Leo Besouw (pseudoniem) is mijn schrijversnaam.  

Het boek is verkrijgbaar voor €11,95 

(bestelbaar/te koop bij de boekhandel): ISBN : 978-94-6153-020-2.  

Voor meer informatie, klik op de tabs "onder de waterlelies": "Boek Noorderdorp" (met ook leeservaringen met/recensies van het boek), "Contact", "Kopen/bestellen" .

Voor (inmiddels) >277 blog-berichten: gedichten van mij/ boekbesprekingen van de schrijver over andere boeken: www.blog.leobesouw.nl Voor blogs vanaf 205  : deze pagina en tab 2015 tab 2016  en tab 2017

 Hieronder de tekst zoals die op de achterzijde van het boek staat. Veel leesplezier!

Tekst op de achterzijde van het boek:

Noorderdorp. Een (familie)geschiedenis (1940-1956).

In deze historisch semi-biografische roman, spelend in de kop van Noord-Holland, plaatst de auteur zijn hoofdpersoon, Leo, terug in de tijd. Het verhaal is de beschrijving van een jong gezin in de oorlogsjaren en de tien jaar erna, met de weeën en naweeën van de oorlog, armoede en ontbering, doordrenkt met de spanning tussen de getrouwe gelovigheid van de moeder, Margreet, en de teleurstelling en verbittering om de godverlatenheid van de vader, Jacob. Leo, eerstgeborene in de oorlog, maakt deze spanningen en situaties mee en groeit op met vele vragen in het bij uitstek Rooms-Katholieke dorp in de kop van Noord-Holland.

Het is mei 1940. Op de afsluitdijk klinkt kanongebulder. De Tweede Wereldoorlog is begonnen, ook voor Noorderdorp, in de kop van Noord-Holland. Karel is een van de soldaten in de kazematten van Kornwerderzand, op de Afsluitdijk. Jacob hoort in de verte het tegenvuur van de Johan Maurits van Nassau. Het worden donkere tijden...

Leo Besouw (pseudoniem) is in de kop van Noord-Holland geboren en studeerde onder meer sociale wetenschappen. Het historische kader is bij benadering weergegeven, de personen (deels) gefingeerd.

---------------------------------------------------------------------------------------------------

Zie ook mijn blog: www.blog.leobesouw.nl  (met ongeveer wekelijks een bijdrage in verband met lezen en schrijven of gedichten) t.e.m. blog 204,vanaf blog 205 deze pagina! 

e-mail voor vragen of reacties:  "mail to"


Versie 30-12-2019  Zie ook onder Nieuws

De glinstering van God

ligt in het oog

dat je – tot dusver –

niet bedroog,

het is geen epiloog

der schepping

maar wel het oer-begin

als klank van zin

en oergevoel

dat opspringt in 't gemoed

en alle donkerte vergeten doet,

een vuur en vlam

dat tot ons kwam

vanuit een onbestemd

door niets geremd

verlangen, één te worden

niet slechts door gezangen,

maar door warmte van de lijven

waarin we eeuwig zouden

willen blijven.